Haar bokstalent verrast iedereen inclusief haarzelf.
Toch staat haar grootste gevecht haar nog te wachten, ver buiten de ring.
Credits
Regie: Arjen Barel
Post-productie en editing: Loes de Groen, Valentine van der Lande
Techniek, sounddesign en muziek: Rik Rensen, Jos Jansen
Editor-at-large en kwaliteit: Annegriet Wietsma
Jouw rating op luisterplatforms helpt ons om meer luisteraars te bereiken. En meer luisteraars zorgt ervoor dat we meer afleveringen kunnen maken!
Ik zou Mijke kunnen heten. Ik ben Mijke. Ik had nooit gedacht dat mijn grootste gevecht niet in, maar buiten de ring zou zijn. Ik wil je mijn verhaal vertellen. Erover praten heeft mij geholpen het te begrijpen. Dit is mijn verhaal.
Ik sta in een omkleedruimte, precies zoals op de middelbare school. Witte gladde tegels, felle verlichting en lange bankjes tegen de muur… met daaraan van die L-vormige haakjes voor je kleding. Zoals elke kleedkamer is het er ijskoud, maar op dit moment doet de kou me niks. Een handdoek over mijn schouders houdt mijn spieren warm.
Achter mijn trainer aan verlaat ik de TL-verlichte kleedkamer voor een donkere grote hal vol toeschouwers. Er wordt harde muziek gedraaid die doortrilt in mijn lijf. In mijn hoofd zie ik alles voor me. Mijn kracht, mijn snelheid, mijn vertrouwen. Vanavond laat ik al mijn kunnen zien. Mijn trainer opent de touwen en vlot stap ik er tussendoor. Ik steek mijn arm omhoog als groet naar het publiek en naar de jury. Voor de komende drie rondes is dit mijn terrein. Er bestaat niks anders op de hele wereld dan deze ring van zes bij zes meter. Mijn tegenstander staat in de blauwe hoek. De scheidsrechter wacht in de witte en ik heb de rode. De handdoek gaat van mijn schouders.
Ik ben één. Mijn lichaam en geest zijn samen. Mijn vuisten staan aan. Mijn blik als een havik en mijn hartslag is als de motor bij een autorace. We gaan naar het midden van de ring waar onze handschoenen elkaar groeten. Terug naar de hoek en wachten. Ik spring, schud mijn benen en mijn schouders los en knik met mijn nek.
De eerste ronde start en als een roofdier schiet ik uit mijn hoek om de eerste stoot uit te delen.
Mijn ouders waren allebei kunstenaar. Mijn vader had de kunstacademie al gedaan en toen ik klein was ging mijn moeder naar de kunstacademie. Dus vaak zat ze thuis aan tafel te tekenen en dan ging ik naast haar zitten en dan deed ik na wat zij deed. En dan vertelde ze later tegen mij, dan dacht ze: verhip, wat zij maakt is veel beter dan wat ik doe.
Toen ik puber werd verwoordde ik mijn gevoelens door middel van tekenen. En wist ik op een gegeven moment: ik ga naar de kunstacademie. Daar was ook geen twijfel over. En ik wou heel graag naar de Gerrit Rietveld Academie in Amsterdam. Want in Amsterdam gebeurde alles. Daar ben ik toen gestart met animatiefilm. En ik heb toen drie jaar in Amsterdam gewoond. En tijdens die drie jaar was ik ook altijd bezig met vechtsporten Ik had een fascinatie voor vechtsport. Ik deed twee keer in de week karate. En dat ben ik toen gaan uitbreiden, kwam er kickboksen bij. Ik ging er kobido bijdoen, dat is een Japanse vechtsport.
Tijdens mijn school wou ik heel graag die fascinatie voor vechtsport weergeven. Het gevoel wat ik wil uitbeelden in de kunst is dat je grootste tegenstander die je hebt, dat je dat eigenlijk zelf bent. En dat wou ik vertalen in een film. En zo ben ik gaan bestuderen van hoe kan ik dat het beste weergeven, dat ik eigenlijk het gevecht tegen mezelf lever in plaats van tegen een andere tegenstander. Nou, daar was ik eerst met mijn karateachtergrond mee bezig. Maar uiteindelijk, omdat ik ook in de sport meer uitdaging wilde, kwam ik bij boksen uit. En in het boksen… ik was op zich helemaal niet zo met competitie bezig. Maar ik dacht van, als ik nou een keer die ring instap, dan kan ik misschien nog beter uitbeelden wat mijn gevoel met de sport dan werkelijk is.
Dus ik vroeg aan mijn trainer, mag ik dan de ring in. En hij zei: dat is goed, dan ga je daarvoor werken. Dus we hebben een jaar daar naartoe getraind. Ik mocht mijn eerste wedstrijd gaan doen en dat was in Utrecht. Ik had een tegenstandster, zij had eigenlijk al zeven wedstrijden gedaan, maar was nog steeds nieuweling omdat ze er een aantal had verloren. Ik vond het ontzettend spannend. En ik had mijn wedstrijd niet gewonnen, want zij was gewoon heel goed en had veel meer ervaring. Maar er was iets in mij… een vlammetje aangegaan dat ik dacht van: wauw dit is zo’n bijzondere ervaring Dat ik dacht: ik wil verder met wedstrijden. En zo ben ik.. van die ene wedstrijd kwam er een volgende wedstrijd. Toen heb ik wel gewonnen. En zo heb ik me helemaal ondergedompeld in de bokssport.
In Nederland had ik op een gegeven moment bijna alle tegenstanders gehad. En heb je het hoogste niveau waardoor je… of steeds dezelfde mensen tegenkomt maar niet echt verder groeit. Ik wist op een gegeven moment van nou, ik ga een andere richting op. Dus ik wil nog één keer… …gas erop en laten zien wat ik in huis heb. En dat was in 2007. Toen heb ik nog één keer meegedaan aan de Nederlandse kampioenschappen. En toen heb ik die wedstrijd ook gewonnen. Dus toen werd ik kampioen van Nederland. Maar eigenlijk heb ik een wedstrijd waar ik veel trotser op was. En dat was een wedstrijd in Zwitserland met Arnold Vanderlyde… En toen heb ik gebokst tegen een meisje en zij was tweede op de wereldkampioenschappen geworden. En ik wist, zij wil mij gewoon neerslaan en het liefst zo snel mogelijk. Want ik was voor haar een, nou ja, ik stelde niks voor in haar beleving. Dus mijn strategie was ook, ik hoef niet per se te winnen, maar ik wil die wedstrijd uitboksen. En ik wil gewoon echt laten zien wat ik in huis heb. En het was heel grappig want zij zag er helemaal niet indrukwekkend uit, maar ze kon ontzettend goed boksen. Ik ben de ring in gestapt. En ook ik heb daar mijn beste boksen laten zien. Zij heeft mij niet neer gekregen Ik heb haar een hele goede rechtse ook nog kunnen verkopen. Zij had natuurlijk gewonnen aan het eind. Maar ik was toen super trots op mezelf. Ik had heel goed bewogen. Ik had alles gezien en weg kunnen draaien. En dan weer een stoot eroverheen kunnen geven. En ook dat mensen uit het publiek naar afloop kwamen van… ‘Wauw weet je wel, dit was echt een fantastische wedstrijd’. Dus soms hoef je… niet te winnen om toch heel trots te zijn.
En ik kreeg de kans bij het Nederlands team. In 2005 zouden we eigenlijk gaan deelnemen aan het vrouwenboksen, wat voor het eerst olympisch ging worden. En op het laatste moment werd dat gecanceld. En toen vond ik het heel moeilijk om door te pakken met het boksen. En toen had ik besloten, nou, misschien is het gewoon goed en heb ik gewoon uit het boksen alles gehaald wat er nu te halen valt. Ik had best wel wat schuld opgebouwd en ik dacht, ik moet gewoon een baan vinden waarmee ik misschien die schuld kan wegwerken. Ik wil mijn kunst weer oppakken, want dat vond ik ook nog steeds heel belangrijk en dat had ik natuurlijk een beetje aan de zijlijn gezet. En toen dacht ik nou, misschien is dit gewoon het juiste moment om te stoppen met het boksen en verder te gaan.
Een jaar later schreef mijn trainer deze brief naar de afdeling waar mijn nieuwe uitdaging had moeten beginnen:
Het volgende moet mij van het hart betreffende Mijke van Griensven. Maaike werd eind september 2007 bokskampioen van Nederland. Gezien de jaren dat ik haar heb leren kennen als een stabiele, zelfbewuste en zelfstandige vrouw, vraag ik me af wat er met haar gebeurd is. Vol trots vertelde ze ruim een jaar geleden over haar nieuwe baan. Mijke gaf aan daardoor te moeten stoppen met wedstrijdboksen omdat het een en ander niet te combineren viel. Ik vond het jammer een dergelijk talent en persoon te verliezen voor de boksport. Enige tijd later hoorde ik van de problemen van Mijke en was werkelijk stomverbaasd. Hier moet op een vreselijke manier met een stabiel en intelligent persoon omgegaan zijn. Anders valt dit niet te verklaren.
Dit schreef mijn coach. Je vraagt je misschien af waar het over gaat, maar dat leg ik je zo uit.
Ik werkte destijds op een beveiligingsbedrijf waar ik ook persoonsbeveiliging had gevolgd. En ik zag de oproep vanuit de politie dat ze dames vroegen bij de DKDB, de Dienst Koninklijke en Diplomatieke Beveiliging. Die fysieke eisen waren heel hoog, maar omdat ik uit de topsport kwam dacht ik nou misschien moet ik dat gaan proberen. De testen om daar te komen die waren echt vrij intens. Je moest van allerlei dingen kunnen doen, een pop opduiken op drie meter, je moest 1500 meter rennen binnen een bepaalde tijd, je moest vijftien keer jezelf kunnen optrekken en dan had je… op het laatst werd je dan intern mocht je verblijven en moest je ook de hele…nacht wakker blijven en je werd ergens gedropt waar dan allemaal rook was… …en dan kwam er iemand uit een ruimte die je aanviel… …en er werd steeds maar gekeken hoe je daarmee omging. Met alles was ik gewoon heel… enthousiast ging ik er zeg maar in… …en haalde ik wel alles, omdat ik denk gewoon zo fit was vanuit de bokssport.
Ik ben daar doorheen gekomen en ik werd toegelaten tot de opleiding. Maar wat bleek: ze hadden te weinig mensen die konden deelnemen. En toen zeiden ze, we stellen de opleiding drie maanden uit. En werd ik tijdelijk op kantoor geplaatst bij de politie. Bij een dienst die het blad maakte wat verspreid wordt onder bureaus waarin ze feitelijke stukken lezen.
Dus ik mocht daar aan de slag. En daar was ik heel blij mee, het was natuurlijk vervelend dat de opleiding drie maanden werd uitgesteld, maar ik dacht nou ja kantoor, ik heb ook op kantoor gewerkt, ik had op mijn oude werk het lokale nieuwskrantje van het bedrijf gemaakt waar ik allerlei grappige dingen in vermeldde, dus ik dacht een krantje schrijven lukt mij bij de DKDB ook wel.
En toen ging ik daar voor het eerst naartoe en toen kwam er echt zo’n hele grote unit van een gebouw wat dan een kantoor was waar allemaal mensen werkten en dat was eigenlijk totaal iets waar ik in mijn leven gewoon nooit voor zou kiezen. Maar ik vond het ook moeilijk om te zeggen ja ik ga dit werk niet doen, want ik dacht dan mag ik dadelijk de opleiding niet gaan doen.
Dus ik dacht: ik doe dat ook maar gewoon, maar ik had natuurlijk niet in de gaten dat het zo’n impact uiteindelijk zou kunnen hebben. En toen ben ik stukken gaan schrijven, dan was er iets met vrouwenhandel bijvoorbeeld en dan moest ik dat heel feitelijk maken en dat lukte ook. Nou, dan dacht ik dat moet dan nu online in dat platform van de politie dan, want dan kunnen daar inlichtingen voor gewonnen worden en dat vond ik gewoon heel heftig, zo’n vrouwenhandel-stuk. Dus ik wou dat het liefst zo snel mogelijk…. En als sporter zijnde wil je wel meteen: iets is klaar dus er moet actie….
En dan ging ik naar mijn leidinggevende ik zeg, ik heb het klaar. En dan zei die man, ja, nee, ik heb het nou te druk, dus dat komt dan van de week wel. Maar dan zag ik hem wel een kwartier aan een tafel koffiedrinken. En nu snap ik dat wel voor die man, maar ik vond dat toen heel erg moeilijk. Omdat ik dacht, ja, je gaat nou wel een kwartier koffiedrinken en dat stuk staat nog steeds niet online. En ik had op dat moment ook niet iemand waarmee ik die ervaringen kon delen. Dus ik moest heel erg veel slikken, denk ik, om uiteindelijk te kunnen starten aan die opleiding als persoonsbeveiliging.
En zo waren er gewoon van allerlei… Ik had bijvoorbeeld mijn sportjasje aan en dan reageerden mensen daar… van ‘Oh, wat grappig dat je dat jasje aan hebt’. En dan dacht ik echt, ja, hoezo is dat nou grappig. Maar iedereen liep daar in dat kantoor netjes. Dus ik viel er dan op een bepaalde manier wel op. En dat nam ik gewoon… Nou ja, dat heeft gewoon consequenties gehad die ik niet heb kunnen overzien.
Om twaalf uur heb ik een afspraak helemaal boven in het kantoor van de DKDB. Je kan het gebouw niet zomaar naar binnen. Alleen met een pasje kom je binnen. Er zijn twee liften en een ervan neem ik naar de één na bovenste verdieping. Daar heb ik afgesproken met mijn leidinggevende. Als ik aankom is er niemand aanwezig.
Omdat ik alleen ben, ga ik de omgeving bestuderen om te kijken wat er allemaal te zien is. Ik kijk naar het plafond of er misschien camera’s hangen. Ik kijk naar hoe de tijd voorbij tikt. Die gaat ongelooflijk langzaam. Zoals altijd wanneer je op iets aan het wachten bent. Dan bedenk ik me dat ik misschien helemaal niet hoef te wachten, maar dat ik iets moet signaleren. Dat er iets verdachts aan de hand is wat ik zou moeten kunnen zien. Opnieuw kijk ik rond. Dit keer met nog meer aandacht. Vooral voor iets wat zou kunnen opvallen. Alles in dit kantoor en op deze afdeling ziet er gewoon uit. Het kan natuurlijk ook nog zo zijn dat er niet iets in deze ruimte is, maar dat er iets gaat gebeuren in het gebouw aan de overkant.
Ik loop naar een soort halfronde nis met allemaal ramen. Hier heb je zicht over bijna de hele straat en tuur ik naar buiten. Met mijn ogen scan ik door de straat zoekende of er iets opvallends voorbijkomt. Het kantoorgebouw aan de overkant heeft hele hoge ramen, waar weer allemaal kleine raampjes in zitten.
Achter de ramen zijn er allemaal mensen aan het werk. Ik denk van een groot bedrijf. Geconcentreerd bestudeer ik elk raampje om te kijken wat daarachter gebeurt. Misschien valt er iets op. Een man schuift met zijn bureaustoel achteruit. Er staat iemand op en loopt weg en weer een ander persoon is aan het bellen.
Dan schrik ik op. Mijn afspraak is er. Fijn, nu kan ik uitleggen dat ik de hele tijd het idee heb dat er iets gaat gebeuren wat ik zou moeten onderscheppen. Het is lastig om het gevoel onder woorden te brengen en mijn leidinggevende kan ook dan niet zoveel met de informatie die ik hem geef. Volgens mij weet hij zich niet echt raad.
Mijn afspraak vertrekt dan ook weer.
Dan voel ik hoe moe ik ben geworden van het constant opletten of er misschien iets gaat gebeuren. Omdat er niet iemand op dat moment is die mij daarmee kan helpen, wil ik even uitrusten. Om de hoek bij de lift lijkt me een fijne plek om even tegen de muur aan te gaan zitten. Als ik daar zo zit, denk ik na over wat ik aan het doen ben en hoe ik me eigenlijk voel.
Twee collega’s in nette pakken komen voorbijgelopen en kijken naar mij. Ik maak een grapje over de situatie en dan lachend lopen ze door. Dan zit ik weer te peinzen. De tijd tikt voort en als een duivel uit een doosje snap ik het in één keer. Ik moet daar weg. Ik moet de uitgang zo snel mogelijk zien te vinden Wegkomen zonder dat iemand me ziet vertrekken.
Dat gaat natuurlijk niet via de hoofdingang. Ik moet een andere weg zien te vinden. De adrenaline giert weer door mijn lijf. Ik spring op. Ik kijk weer alle kanten op, zie alle camera’s onderweg en besluit de lift te nemen. Zonder om te kijken loop ik door de schuifdeuren naar buiten.
Mijn opleiding tot persoonsbeveiliger is dan net een week begonnen en ik was constant heel alert. En de hele tijd alles in de gaten houden, dat kost heel veel energie.
Met nog net geen piepende banden rijd ik het terrein van de Roompot in Kijkduin op. Tijdens de opleiding kunnen we hier verblijven, zodat ik niet helemaal terug naar Brabant hoef te reizen. Hier ben ik op mijn eindbestemming. Ik verwacht te zijn aangekomen in mijn veilige huisje waar ik tot rust zou komen. Het zweet zit nog op mijn handen want zojuist had een paars autootje de achtervolging ingezet. Al achteruit kijkend in de spiegel wist ik het vreemde voertuig van me af te schudden. Zigzaggend doorkruiste ik Den Haag om vooral geen voor de hand liggende route te volgen. Als een James Bond zorgde ik ervoor dat ik niet bij te houden was. Ik ga links in plaats van rechts. Ik ga een stukje terug in plaats van vooruit. En in de drukke stad maak ik gebruik van de kleine straatjes zodat ze me uit het oog verliezen. Als ik aankom zit mijn hartslag hoog. Mijn zintuigen staan op scherp, maar ik heb het gehaald. Het paarse autootje heeft mijn safe house niet ontdekt.
Het appartement heeft een huiskamer en twee slaapkamers waar ook een collega logeert. In de huiskamer staat een tv. En volgens mij hangen er camera’s in ons huisje. Het lijkt mij goed als ik een beetje tot rust kom en ik probeer me te ontspannen. Als de tv aanstaat is daar Arnold Vanderlyde in beeld. Hij is een van mijn oude bokstrainers. Hij legt uit dat je in het boksen altijd moet blijven bewegen. Dan ben je het moeilijkst te raken. Het lijkt wel alsof hij dat gewoon aan mij vertelt. Net alsof we tegenover elkaar zitten, in plaats van dat ik naar een tv kijk. ‘Zou dit dan misschien iets betekenen?’ vraag ik mezelf af.
Dus ik sta op en ik ga weer denken. Wat zou ik moeten doen om de finish van deze rollercoaster te halen? Ik zit aan tafel en denk na. Wat is belangrijk als persoonsbeveiliger? Hoe kan het dat ik allerlei dingen aanvoel zonder dat ik er heb voor geleerd? Dat ik dat gewoon allemaal al kan. Ik denk en denk tot het donker wordt.
Mijn collega is inmiddels ook in het huisje aangekomen… en die probeert vooral duidelijk te maken dat ik me een beetje moet ontspannen. Maar dan weet ik het. Er is natuurlijk een groot eindfeest. Ze zijn allemaal bezig om het op te bouwen. Dat zijn de geluiden die ik hoor. Het gestommel, het rumoer, de mensen die voorbijlopen.
Ze zijn bezig om mij zo te verrassen met bloemen en de uitslag dat ik ben geslaagd voor al deze moeilijke testen. En daarna is het dan eindelijk afgelopen en dan is er een feestje. Ik voel me zenuwachtig worden, want hoe lang moet ik dan nog wachten? Het is weer de tijd die me in de weg zit. Hoor ik nu dat ze een vrachtwagen aan het uitladen zijn?
Het maakt me zo onrustig. Ook al weet ik dat ik straks superblij zal zijn met mijn diploma, het feest en de blije mensen om me heen. Ik wil iets vinden om kalmte te vinden. Verrassingen vind ik eigenlijk slopend. Maar als het feest dan zo gaat beginnen, dan hebben ze natuurlijk mijn moeder uitgenodigd.
Zij is de persoon die altijd trots is op mij. En die altijd eerlijk is. Ik kan haar bellen. Zij snapt het vast dat ze het mag verklappen. Ik pak mijn telefoon. Zoek haar nummer. En druk op bellen.
Het duurt best lang en dan neemt ze op. Met Jannie, zegt ze. Dat is vreemd denk ik. Ik hoor geen rumoer. Ik hoor geen drukte. Ik hoor geen blijdschap in haar stem. Ik ben even stil om dit te verwerken. ‘Gaat het, Mijke?’, vraagt ze. Oh nee, denk ik. Ik voel aan alles dat dit niet goed is. Mijn hoofd heeft iets gemaakt wat helemaal niet klopt. Mijn moeder ligt in bed. Het is midden in de nacht en ze is aan het slapen. Ze is helemaal niet op een verrassingsfeest. Ze staat niet met bloemen. Er is geen diploma voor alle testen die ik heb afgelegd. Jeetje. ‘Het gaa’t, zeg ik. Ik moet gaan slapen denk ik. Ik ben heel erg moe. Dan komt het allemaal wel goed.
Ik hang op. Hoe kan ik me nu zo voelen? Ik wil gaan slapen. Rust heb ik nodig.
Dan gaat mijn telefoon. Ik neem op. Het is mijn moeder. ‘Zal ik je komen halen Mijke?, zegt ze. Ja, doe maar, zeg ik. Ik hang op en ik weet dat dat het beste voor me is. Al het andere doet er even niet meer toe.
Op dit moment… komt zij mij ophalen in Den Haag. Jacques, de vriend van mijn moeder, komt dan ook mee. Ik ben eigenlijk heel blij dat ze komen. Ik laat ze ook nog het huisje zien. Omdat ik dan denk: dan zien ze misschien de camera’s die er hangen. Ik geef ze een kleine rondleiding. En ze nemen mij mee naar huis.
Dus we rijden terug richting Den Bosch. En mijn moeder denkt nog, oh, het valt misschien allemaal best mee met Mijke en we komen aan bij een benzinestation en dan gaan we tanken. Maar ik tik haar dan aan en dan zeg ik, ja, die vrachtwagenchauffeur daar, die houdt ons in de gaten. En dan denkt mijn moeder, oh nee, dit gaat helemaal niet goed met Mijke.
Maar we gaan naar huis. Het is dan volgens mij in de carnavalsperiode… We hebben contact met de huisarts en dan wordt er een plan opgezet. Ik moet daar langs maar ik ben helemaal paranoia. Ik denk de hele tijd dat ik in de gaten word gehouden. Dat er iets gaat gebeuren. Ik weet dat ik ze op gegeven moment midden in de nacht uit hun bed haal, en de hond en mijn moeder en Jacques… Ik wou iedereen bij elkaar hebben, want ik dacht er gaat dadelijk iets vreselijks hier in ons huis gebeuren. Dus dan stond ik daar en toen dacht mijn moeder: nou moet ik toch misschien wel de crisisdienst bellen. Dat heeft ze toen gedaan. Die zijn toen ook nog langsgekomen. En ik weet dat ik daar in mijn onderbroek stond en met mijn handen in mijn zij… “ja, ik ben Mijke”, en gaf ik een hand aan die mevrouw van de crisisdienst. “En ik moet het gewoon allemaal in de gaten houden.”
En die mevrouw van de crisisdienst… het was wel erg, maar het was niet zo erg dat ik mee moest om opgenomen te worden. Ik kreeg medicatie om mij kalm te krijgen.
Dus op een gegeven moment had de huisarts geadviseerd van: misschien moet ze een slaappil krijgen. En toen kreeg ik een slaappil. Maar ja, ik zat zo in het verzet. Dus ik dacht bij mezelf, als ik niet wil slapen, ga ik niet slapen. En toen weet ik wel dat ik op mijn kamertje zat en dat ik maar wakker ging blijven.
En als je dan heel lang op een gegeven moment wakker bent en niet slaapt, dan gaat het eigenlijk helemaal mis in je hoofd. Dus toen zag ik auto’s voorbijrijden en de kleuren van die auto’s, dat ging een signaal vormen ofzo, dat vertelde iets. Het werd steeds ingewikkelder, zeg maar, wat ik allemaal ging bedenken.
Op een bepaald moment zag ik ook dat de ogen van mensen… die werden, als ze gingen liegen, werden ze zwart van kleur. En dat zag ik, dus dan was dat een soort signaal van… dan wist ik dat iemand zou liegen. Maar ik vond dat eigenlijk heel vervelend want ik wou helemaal niet weten… of iemand wel of niet aan het liegen was.
Dus toen besloot ik voor mezelf: dan kijk ik gewoon mensen maar niet meer aan. Dus een hele tijd heb ik mensen niet meer in hun gezicht gekeken maar keek ik gewoon schuin naar de grond… en durfde ik iemand niet meer aan te kijken, omdat ik die informatie eigenlijk niet wou hebben.
Als ik nu terugkijk, en dat heeft ook met mijn herstel te maken, daarin hebben we heel goed onderzocht van: wat gaat er nou mis bij je psychose, wat gebeurt er nou in je hoofd, en dan kan ik ook de dingen begrijpen die zijn misgegaan of tenminste waardoor ik dingen zag die er niet waren. Dus eigenlijk in je hoofd heb je neurotransmitters, alle verbindingen die dingen doorgeven in je hersenen.
En op het moment dat je psychotisch wordt, dat je brein een soort van overspannen of overloaded is of zo, dan gaan die neurotransmitters verkeerde verbindingen leggen. En daardoor zie je soms dingen die er niet zijn. En bijvoorbeeld, ik weet dat ik film aan het kijken was op de televisie en hadden de acteurs de hoofden van mijn familie. Dus ik zag mijn familie in die film.
Terwijl ik dacht, dat kan niet, want mijn familie dat zijn geen acteurs. En toen werd natuurlijk heel vervreemd. Want je ziet iets en ik wist ergens, het is niet waar. En daardoor maakte dat het wel heel… Ja, misschien ook wel angstig op zo’n moment. Ik weet niet of dat de goede emotie is, maar het is in ieder geval wel vervreemdend.
Ik weet dat ik de hand van mijn moeder vasthield. En op het moment dat ik verdriet voelde of angst voelde, mocht ik in haar hand knijpen. En dat was al een soort van… dat me dat in het hier en nu terugzette of zo.
In die twee weken is er gewoon heel veel gebeurd. En op een gegeven moment ben ik zo in de war van alles.
Ik lig op een koude harde grond. Omhoogkijkend zie ik niks anders dan blauwe lucht. Onder mij is het harde gras van de nachtvorst. De tuin is afgesloten door een schutting waar de druiventakken nog omhoog moeten klimmen. Het huis met het rieten dak ligt in de zon. Als ik op de grond lig hoor ik de geluiden van verschillende vogels, ver weg een vliegtuig en auto’s die langs het huis rijden richting de stad.
De plek is fijn. De natuur zoekt haar weg met nieuw leven van planten en bladeren, maar bij mij staat het stil. Ik wacht, ik luister, ik denk. Als het leven zo ingewikkeld is geworden, dan is het makkelijk om te willen stoppen. Misschien, als ik heel hard denk dat er nu iets gaat gebeuren waardoor ik niet verder hoef,
dat het dan ook gebeurt. Ik heb alle tijd, dus wie weet, gewoon geduldig blijven. En misschien regelt het leven het voor mij dat ik niet meer hoef te leven. Maar de natuur luistert niet. Er valt niet zomaar een steen uit de lucht. De natuur zit vol leven. Zij straalt en ze wil verder.
Rondom mij beweegt er van alles. In de grond op het gras, in de lucht. Het leven krioelt om mij heen. Ik ben daar ook onderdeel van. Ik moet mee. Stoppen met leven gaat niet zomaar. Via mijn zij duw ik me omhoog, zet de ene voet voor de andere en loop het huis in.
Ik had ook gesprekken met mijn moeder als we gingen wandelen of samen ergens naartoe gingen.
Ik wist: aan haar kon ik alles vertellen en die relatie hadden we ook op een gegeven moment, dat ik kon uitleggen wat ik dan ervaarde. En zij kon dan terugkoppelen hoe zij het ervaarde waardoor ik een nieuwe referentie kreeg van de wereld om haar heen. Zo waren we bijvoorbeeld een keer aan het wandelen in het bos met z’n tweeën en ik had een witte jas aan, mijn moeder had een zwarte jas aan. En we kwamen twee mensen tegen, die liepen in de tegenovergestelde richting en die ene persoon had ook een witte jas aan en die andere had ook een zwarte jas aan. Dus voor mij was het toen alsof we die mensen tegenkwamen in een soort tijdloze zone, alsof die mensen daar gewoon op dat moment liepen maar eigenlijk uit een soort andere tijd. Ik weet niet, het was gewoon een hele rare ervaring, zeg maar.
En dan vertelde ik dat aan haar. Want ik dacht misschien lopen die mensen daar überhaupt ook niet eens. En dan kon mijn moeder wel vertellen: Nee, die mensen lopen daar ook. En het klopt, die hebben ook die kleding aan. Maar die mensen lopen daar gewoon. Dat heeft niks verder met ons te maken of met de tijd te maken. En zo kwam ik dan weer langzaam terug in de normale werkelijkheid.
En toen ben ik eigenlijk op mijn eigen manier… daar uitgekomen. Ik weet dat ik op een gegeven moment aan het slapen was en dat ik een nachtmerrie kreeg. Want ze waren in de buurt het ziekenhuis aan het bouwen. Maar toen had ik een nachtmerrie en toen zag ik mijn eigen hart kloppen. En toen was er toch een soort opluchting, omdat ik het eigenlijk wel mee vond vallen dat ik mijn eigen hart zag kloppen Toen dacht ik, ja, als… dit dan het allerergste is wat er kan zijn, dan kwam een soort overgave van, nou ja dan valt het misschien wel mee. En toen heb ik toch wel weer rust gevonden om te gaan slapen en ik bleef in gesprek met mijn ouders Dus ik bleef heel veel vertellen met mijn moeder wat ik ervaarde en soms ging dat heel goed, soms werd het heel ingewikkeld en hadden we een conflict…
Maar doordat we bleven praten hield ik ook een lijn met, zeg maar, de normale werkelijkheid. Ja, dat heeft me heel erg geholpen toen.
Het duurde best even voordat ik de draad weer helemaal goed op heb kunnen pakken. En vooral de politie heeft daar niet echt een bijdrage aan geleverd. Die wouden eigenlijk zo snel mogelijk van mij af. En zo werden we gedwongen eigenlijk om een rechtszaak tegen de politie te beginnen. Dat heeft tweeëneenhalf jaar geduurd.
Een rechtszaak doen terwijl je ziek bent was gewoon heel zwaar. En toen hebben ze een dag voordat die rechtszaak was, hebben ze het geld op mijn rekening gestort. Ik had alles opgegeven van mijn topsport, mijn plannen. En als je dan ziek wordt omdat je alles hebt gegeven en je wordt eruit gemikt, voelt dat heel, ja, alsof je door een putje wordt gespoeld. Dus heel onmenselijk eigenlijk hoe ze met je omgaan. Daarin heb ik eigenlijk toen de steun van die afdeling heel erg gemist.
In de periode dat ik eigenlijk heel ziek was, heeft het me geholpen om de dingen op te pakken waar ik goed in was. Dus ik ben begonnen, opnieuw, met boksen. Mijn zwaarste punt was twee weken. Toen ben ik teruggegaan …naar Olympia, mijn oude boksschool. En ik weet dat ik aan het draadje van mijn broek zat te prutsen. Dat ik naar beneden keek. En dat ik maar tegen mezelf bleef zeggen van… …jawel Mijke, jij bent wel die Nederlandse kampioen.
Ik ben gaan tekenen. Ik heb mijn ervaringen verbeeld in tien levenslessen. Een boekje had ik gemaakt met tien levenslessen van Mohammed Ali. Daar heb ik tekeningen bij gemaakt van een meisje, een bokser en een soort persoonsbeveiliger. En dat heb ik toen gegeven aan die mensen die belangrijk voor me waren.
Op die manier ben ik me terug gaan knokken. En ben ik de opleiding voor coach gaan volgen. Wat resulteerde in dat ik les kon gaan geven in het boksen. Ik had een zaal gehuurd waar ik vijf bokszakken op mocht hangen. Toen gaf ik twee avonden les aan dames. En het bleek dat er ook heel veel heren waren die boksles van mij wouden.
Ik ontmoette mijn man van nu, die was kickbokser, die groeide mee in die boksschool. En we werden groter en groter. We zijn naar het terrein gegaan waar we nu zitten, waar we een boksclub hebben met 500 leden en we vooral proberen boksen en kunst samen te voegen.
Als ik terugkijk geeft dat eigenlijk een beetje een dubbel gevoel. Laat ik het zo zeggen, aan de ene kant als ik erover terugdenk wat er allemaal is gebeurd…. Sommige dingen zijn heel grappig. Zoals dat met zo’n autootje of een achtervolging. Dat ik me echt als een soort James Bond voelde. Nou ja, voor mij was het ook echt alsof ik in zo’n film zat. Dus het was ook iets spectaculairs. Maar aan de andere kant heb ik ook heel veel verdriet gehad. Omdat, de politie zag totaal niet wie ik was. En wouden me eigenlijk zo snel mogelijk weg hebben.
Maar er is ook een gevoel van, eigenlijk van dankbaarheid. Want doordat me dat is overkomen… Ben ik niet verdergegaan met dat werk. Dus ik zat eigenlijk op de verkeerde route, om het zo maar te zeggen. En ben ik teruggegaan naar de sport en de kunst. En doordat dat is gebeurd, heb ik nu hetgeen waar ik ontzettend veel van hou. En kan ik mijn passie uitbrengen en kan ik mijn kunst beoefenen. En daar ben ik echt heel dankbaar voor.
Voor mij op de grond staat een klein vaasje. Met mijn benen in kleermakerszit en met mijn handen op mijn knieën kijk ik ernaar De yogamat waar ik op zit is stevig en groen van kleur. Ik buig naar het vaasje toe om de bloem van heel dichtbij te bekijken. Hoe ziet die er nou precies uit? Ik heb haar al zo vaak voorbij zien komen, met wandelen en op de fiets. Maar als je echt goed gaat kijken valt het pas op hoe mooi die bloem in elkaar zit. Langs de bloem kijk ik verder de zaal in. Mijn blik gaat langs de ruggen van de mensen die ook op hun mat zitten. Iedereen zit op zijn eigen manier, hier en daar zijn wat kleine bewegingen, maar je voelt dat we allemaal in onze eigen gedachten zijn. Waar nu iedereen volledig in rust op de mat op de grond zit, stonden nog geen twee uur eerder allerlei mensen keihard te rammen tegen een zak met een knallende beat uit hun speaker.
Mijn blik gaat weer terug naar het vaasje voor mij. Mijn uitgekozen bloem staat daar. Straks zal ik haar vastleggen in kleurpotlood. De Engelse naam doet haar eer aan. Het komt van het Franse ‘dents de lion’. Leeuwentand. Hier noemen we haar paardenbloem. De bloem van hoop. De bloem van veerkracht. De bloem die je wensen geeft. De gong klinkt. Mijn hart klopt rustig. De allereerste workshop met kunst en sport is begonnen.
Ik sluit mijn ogen, adem diep in en adem diep uit. In gedachten blaas ik alle pluizen de wereld in. Mijn wens is uitgekomen.