Job raakt verstrikt in leugens en houdt dat jarenlang vol. Hij liegt over zijn leven, zijn studie, zijn plek in de wereld.
Hoe langer hij het volhoudt, hoe meer hij zelf verdwijnt.
Credits
Regie: Annegriet Wietsma
Montage: Loes de Groen
Eindredactie: Annegriet Wietsma, Valentine van der Lande
Techniek, sounddesign en muziek: Rik Rensen, Jos Jansen (Big Orange)
Jouw rating op luisterplatforms helpt ons om meer luisteraars te bereiken. En meer luisteraars zorgt ervoor dat we meer afleveringen kunnen maken!
Ik zou Job kunnen heten. Jarenlang liet ik mijn familie, vrienden en huisgenoten geloven dat ik iemand was die ik eigenlijk niet ben. Voor de buitenwereld klopte het plaatje, maar ondertussen verdween ik steeds meer uit mijn eigen leven. Dit is mijn verhaal.
Mijn leven ziet er nu eigenlijk wel heel fijn uit. Ik ben net veertig geworden. Ik woon samen met mijn vriend Mo. Ik heb heel leuke vrienden, een heel lieve familie die ik graag en veel zie. Ja, eigenlijk als ik er nu zo naar kijk best een gezegend bestaan. Maar als ik nu met mezelf van achttien zou kunnen praten, dan zou ik echt zeggen: je denkt dat je iedereen… zal verliezen als ze de waarheid horen. Maar dat is niet zo. Het is juist de weg naar de oplossing.
Het is 2003. Ik ga studeren in Leiden. En ik ga geneeskunde studeren. Ik ben echt net 18. Nog net nat achter de oren ga ik die studietijd in en ik heb dus het idee, laat ik maar naar Leiden gaan, want als ik naar iets als Amsterdam of Rotterdam ga, dan gaat het niet goed. Dan verdwijn ik in de massa, dan raak ik mezelf kwijt. Ik denk dat het leven dat ik ga leiden, als je nadenkt over wat een typisch studentenleven is, kan het eigenlijk bijna niet typischer. Ik word lid van een studentenvereniging, van het corps. Ook vanuit het idee: daar is een soort sociale cohesie, daar verdwijn ik niet in de massa.
In mijn middelbare schooltijd… in de beginjaren was ik heel erg een beetje het nerdje. Niet dat ik werd gepest of zo, maar ik ging gewoon een beetje mijn eigen gang. Ik hield heel erg van klassieke muziek en piano spelen en van toneel en dat soort dingen. En op een gegeven moment wilde ik ook populair zijn en kijken wat ik aan mezelf kon aanpassen om dat te bereiken. En die aantrekkingskracht vond ik ook heel erg in dat corps. Dat ik dus dacht, oh als ik daarbij ga, dan zit ik dus bij dat gave, coole groepje. Dan zit mijn sociale kostje wel gebakken.
Ik krijg een heel leuk studentenhuis met huisgenoten waar ik me heel fijn bij voel. En ook een hele fijne jaarclub. Ja, als ik terugkijk dan zou ik mezelf wel als corpsbal omschrijven. Maar ondertussen is het wel zo dat ik diep in de kast zit, dus iedereen om me heen weet niet dat ik eigenlijk op jongens val. En daar begin ik steeds meer te merken, oh ja, hier wordt een bepaald beeld geschetst van hoe een man moet zijn, namelijk je moet heel veel drinken en je moet heel veel wijven regelen. Dat weet ik dus, dat ik dat niet ben en dat ik me daar eigenlijk ook niet prettig bij voel, maar dat ik me wel even aan de buitenkant zo moet voordoen om het spelletje mee te spelen.
Ik wilde het zo goed mogelijk doen, omdat het dus wel altijd inderdaad als een inspanning voelde, omdat ik eigenlijk vanaf het begin wist van: ik moet moeite doen om mezelf in die mal te gieten die binnen dat corps als succesvol of geaccepteerd of aanvaardbaar werd gevonden.
Als je het hebt over de studie, dan gaat dat eerste studiejaar eigenlijk meteen niet goed. Ik ben wel echt heel geïnteresseerd in de stof. Ik ga braaf naar alle colleges. Maar eigenlijk vanaf het begin raak ik al achter op het huiswerk. Omdat ik zodra ik dan weer thuiskom van de universiteit, me meteen weer in dat sociale stort. En eigenlijk alle momenten dat ik zou moeten studeren dat niet doe omdat ik bang ben om sociaal buiten de boot te vallen.
Het eerste tentamen haal ik nog wel, maar dat tweede tentamen daar haal ik een drie voor. En dat is me eigenlijk dus nog nooit eerder gebeurd dat ik iets niet haal. Dus ik weet ook echt totaal niet hoe ik daarmee om moet gaan. Ik weet ook eigenlijk niet zo goed hoe ik dat nou aan anderen moet vertellen. En al helemaal niet tegenover mijn ouders. Met name mijn moeder. Mijn vader die heeft MS, die ligt op dat moment in het ziekenhuis met een gebroken wervel. Mijn moeder is natuurlijk mega benieuwd naar hoe het met mijn studieresultaten gaat. Dus die belt. Ik heb, denk ik, een paar keer gezegd van ‘nou volgens mij ze hebben het nog niet nagekeken en daar hebben ze heel lang de tijd voor. Dus dat komt nog.’ Maar op een gegeven moment hou ik dat niet meer vol en dan… Die optie om de waarheid te vertellen die bestaat in mijn hoofd gewoon niet. Ik kan gewoon niet die schaamte aan. Ik was altijd het kind waar het op schoolgebied heel goed mee ging en waar ze heel trots op waren. Dat was eigenlijk best wel een belangrijk onderdeel van mijn identiteit en ik denk dat ik dat niet kwijt wilde raken. De meeste mensen om me heen komen uit financieel hele goede, succesvolle gezinnen en bij mij thuis is op dat moment mijn vader in de ziektewet en mijn moeder werkt een paar dagen per week als secretaresse. Dus dat is echt wel een andere situatie. Ik zeg niet dat we in armoede leefden, maar relatief was het wel echt anders. Er is ook echt wel een grote angst voor dus afwijzing of het verliezen van vrienden. En die zorgen die er over mijn vader waren, ik wilde ook niet daar nog iets aan toevoegen. Dus ik zeg maar gewoon: ‘Nee, ik heb het wel gehaald.’ Ja, zo gaat dat eigenlijk door. Dus die studie sleept zich eigenlijk dat hele eerste jaar zo voort. Van niet gehaald tentamen naar niet gehaald tentamen.
Als je vanaf de buitenkant naar mij kijkt dan leid ik dus echt een gewoon leven. Dus ik ga naar mijn lessen of de hoorcolleges, de werkgroepen, en ik ga ook naar de tentamens. Vaak maak ik ze gewoon en lever ik ze ook gewoon in met de wetenschap: hier gaat dus over een paar weken een drie uit komen. Soms loop ik ook dus naar de tentamenzaal toe en ga ik zitten en begin ik voor mezelf een soort spelletje boter, kaas en eieren. Of maak ik nog even een boodschappenlijstje. En wacht ik tot het moment dat de eerste tien mensen hun antwoorden hebben ingeleverd. En dan denk ik, oh dan kan ik nu ook, want dan valt het niet zo op.
Aan het eind van het eerste jaar krijg ik een brief van de universiteit dat ik mijn bindend studieadvies niet heb gehaald. Wat betekent dat ik met de studie moet stoppen maar dat ik wel eventueel, als ik dat wil, daar bezwaar tegen kan maken. Ik dacht, nou weet je wat, ik probeer het gewoon eens. Ik had een mooie brief geschreven van: het gaat niet goed met mijn vader en ik ben ondertussen ook nog aan het worstelen met mijn geaardheid. Ik mocht op gesprek komen bij een heel schattige lieve mevrouw die ik, zoals ik dat wel vaker kon doen bij schattige, lieve mevrouwen om mijn vinger heb gewonden en een paar weken later krijg ik een brief dat ik inderdaad door mocht met de studie of dat dat bindend studieadvies dus voorlopig van de baan was, maar dat ik wel dan in dat tweede jaar mijn volledige eerste jaar ook moest halen.
Vol goede moed ga ik met het tweede jaar bezig maar daar sta ik natuurlijk voor een vrij onmogelijke opgave als ik aan de buitenwereld wil laten zien dat het nog steeds heel goed gaat. Want dat zou betekenen dat ik in dat tweede jaar én mijn volledige eerste jaar moet halen én daarbij ook zoveel mogelijk punten van het tweede jaar, wil ik niet al te veel studievertraging oplopen. Ja, ik ben zo ontzettend in die jaren bezig met de schijn ophouden. Maar het is ook, denk ik, op een soort diepere laag… Ik wil eigenlijk niet dealen met de problemen die er zijn. Dus het feit dat ik niet aan iedereen durf te vertellen dat ik op jongens val. En het feit dat ik eigenlijk de hele tijd mezelf anders voordoe dan ik ben. Maar het was dus ook echt wel een vlucht uit iets diepers.
Ergens halverwege mijn tweede jaar heb ik mijn coming out als homoseksueel. En dat komt omdat ik denk, ja, we zijn hier allemaal aan het doen alsof we elkaars beste vrienden zijn. Als ik dit dan niet durf te delen wat is die vriendschap dan waard? Ik vertel dat en gek genoeg accepteert iedereen dat gewoon. En als ik daaraan terugdenk denk ik, ja, dan had ik toch ook kunnen vertellen van mijn studie? Als ik dus dit ene ding vertel en iedereen accepteert het, dan waarom dat andere dan niet? Maar ik heb in mijn hoofd een soort belangenafweging gemaakt van: theoretisch kan ik de waarheid wel vertellen maar dat zal ongetwijfeld leiden tot sociale uitsluiting en allerlei vragen. En inmiddels ben ik al zo lang aan het liegen dat… het gaat nu niet alleen maar meer om het feit dat ik die tentamens niet heb gehaald, maar het gaat er nu ook om dat ik dan dus moet vertellen dat ik ze al een jaar lang aan het voorliegen ben. Dus de enige weg die ik zag is maar doorliegen en inderdaad dan maar hopen dat het ondertussen goed komt. En dat werd natuurlijk ook een soort van fantasie dat dat ooit nog zou gaan gebeuren. Dus ja, ik ben de schijn aan het ophouden en ik ben aan het liegen en ondertussen voelt het ook als iets waar ik niet zonder kan.
In de jaren daarna weet ik een paar keer voor mezelf op een soort van resetknop te drukken. Dus na dat tweede jaar geneeskunde, waarin ik weer niks heb gehaald, zeg ik tegen iedereen, ja, geneeskunde was gewoon niets voor mij. Het past niet zo goed bij me. Ik ga geschiedenis studeren, want dat vond ik op de middelbare school altijd zo leuk. Dan dat jaar geschiedenis. Nou, blijkt nog een veel moeilijker studie dan geneeskunde te zijn. En wat ik dan na dat jaar geschiedenis doe, waar ik dus ook mee moet stoppen, is dat ik tegen iedereen zeg, nou weet je wat, het gaat zo goed met geschiedenis, ik ga daar een studie bij doen, namelijk rechten. Maar dat was gewoon mijn dekmantel om maar met studeren door te kunnen gaan.
Nou, in die periode dat ik dus wel rechten studeer, maar geen geschiedenis meer – dat is dus ook de periode dat ik voor het eerst ook zeg dat ik een studie doe die ik ook echt niet meer doe – en dat betekent dat ik dus ook op de momenten dat er tentamens zijn van die studie die ik niet meer doe…. daar moet ik iets mee. Leiden is een heel kleine stad. De kans dat ik ergens in een koffietentje ga zitten tijdens dat tentamen en dan door iemand gezien wordt die weet dat ik op dat moment dat tentamen heb, die is te groot. En de oplossing die ik daarvoor verzin, is dat ik maar de trein pak naar een verre bestemming. En dat die treinreis ongeveer even lang moet duren als de tijd die dat tentamen duurt, inclusief daarheen fietsen en weer terug. Dus ongeveer drieënhalf uur. Dan pak ik dus eigenlijk altijd de trein naar Vlissingen. Dat is ongeveer anderhalf uur heen, anderhalf uur terug. Misschien iets meer. In elk geval een richting op waar niemand die ik ken naartoe zou gaan. Waar ik niemand ken, kijkt niemand ervan op als ik daar de trein uit stap en meteen weer in de trein in omgekeerde richting vertrek. En dat zijn dus de eerste momenten dat ik echt zeg dat ik ergens ben terwijl ik daar niet ben en dat ik continu op mijn hoede ben van: kom ik iemand tegen, wat ga ik zeggen als ik iemand tegenkom, zit er toevallig toch iemand in deze trein…
Ik probeer met iets wel mijn aandacht af te leiden van dat enorme alles verpletterende gevoel van: wat ben ik hier nou in godsnaam aan het doen, dat het zover heeft moeten komen? Dus in die trein, in die intercity naar Vlissingen en weer terug, dat was ook een enorme confrontatie met wat ik nou eigenlijk aan het aanrichten ben. En wat ik voor een bouwwerk van leugens en verzinsels ik nou eenmaal om me heen had gebouwd.
Dan zit ik inmiddels in mijn vierde jaar en gelukkig gaat rechten voor het eerst eigenlijk wel beter. Ik haal een aantal tentamens en ook nog wel met redelijke cijfers en zelfs zoveel tentamens dat ik het bindend studieadvies haal. Dat betekent dat ik door mag naar het tweede jaar onder de voorwaarde dat ik dan aan het eind van het tweede jaar wel alle laatste eerstejaarsvakken nog haal. Voor het eerst sinds ik ben gaan studeren, zit ik dus ineens in een volgend jaar. Dan blijkt dus dat dat tweede jaar nog moeilijker is dan het eerste jaar. Dat het eerste jaar, waar ik al die jaren zoveel moeite mee had, de hele tijd maar kinderspel was.
Dan aan het eind van dat studiejaar krijg ik een stage aangeboden. En aangezien iedereen denkt dat ik, in elk geval op geschiedenisvlak, aan het einde van mijn bachelor zit, denk ik ja, laat ik die stage maar doen, want dan laat ik aan iedereen zien dat het eigenlijk best wel goed gaat met die studie. Alleen het probleem is, die stage die begint precies in de week dat mijn laatste eerstejaars vak voor rechten… het tentamen wordt afgenomen. En nou, inmiddels is denk ik wel duidelijk dat ik het moeilijk vind om nee te zeggen en dit soort situaties altijd tot op het laatste moment laat aankomen. Dus inderdaad, die eerste week zit ik braaf op het gebouw van het ministerie terwijl dat laatste tentamen plaatsvindt. En ik weet nog goed dat ik aan dat bureautje zit…. dat tentamen begint om tien uur en ik ben braaf om negen uur naar kantoor gekomen. En dit is dus eigenlijk hoe ik mezelf al die tijd voor de gek hou. Namelijk, ‘als ik zou willen, zou ik nu gewoon nog naar die tentamenzaal kunnen gaan’. Dan wordt het half tien. ‘Oh ja, het begint nu een beetje krap te worden. Maar als ik nu weg zou gaan, dan kom ik iets te laat binnen, maar dan haal ik het nog wel.’ En dan wordt het tien uur en dan denk ik ‘oh, dus nu begint het.’ Theoretisch is dat tentamen nog bezig, weet je. ‘Ik zou het nog kunnen halen’. En het wordt later en later. En dan uiteindelijk is het één uur. Het tijdstip dat het tentamen afgelopen is. En dan dendert het echt naar binnen van… Ja, nu is het dus klaar. Dit is de laatste mogelijkheid waarmee ik nog door had kunnen gaan met rechten. En die heb ik laten lopen.
Inderdaad, een paar weken later krijg ik de brief van de universiteit met, nou, we hebben geconstateerd dat je dat laatste eerstejaars vak niet hebt gehaald, dus hierbij schrijven we je uit. Gelukkig is er een voordeel dat ik die stage heel goed deed en dat ik daarom een baan aangeboden krijg als beleidsmedewerker. En daarmee kan ik die leugen dus nog een klein beetje langer laten voortduren, want nu kan ik tegen iedereen zeggen, nou dit is zo’n buitenkans, ik krijg hier gewoon een tijdelijke baan aangeboden en ik zou wel gek zijn als ik dat zou laten lopen. Hoe cool is dat, dat je dat op je 23e al op je cv kan zetten. En iedereen is dus ook helemaal onder de indruk. Maar ondertussen is het dus ook een dekmantel die me nog even langer in die leugen laat, waardoor ik dus nog even langer niet echt met de billen bloot moet.
Het ironische is dat ik in die tijd het idee heb dat ik heel erg bezig ben met anderen, dat ik iedereen altijd wil pleasen en anderen niet wil teleurstellen en…. Ja, een versie wil zijn die geaccepteerd wordt. Ik denk dat ik wel vrij snel al dus doorkreeg of voelde van: hé, dit is eigenlijk best wel een fijne manier om eigenlijk als een soort van smeermiddel het leven iets minder ruw of wrijvend te maken. Met die kleine leugentjes kan ik heel veel hele kleine, ongemakkelijke momenten wegtoveren.
Dan kom je er dus ook achter dat het eigenlijk best wel makkelijk is om te liegen, omdat mensen eigenlijk altijd ervan uitgaan dat de ander de waarheid vertelt. Bijvoorbeeld, dan heb ik een dubbele afspraak gemaakt. Dat gebeurde heel vaak. Ik ben gewoon enorm chaotisch met mijn agenda. Oeps, per ongeluk twee eetafspraken op één avond. En dan durf ik dus niet tegen een van die mensen te zeggen: ‘oh sorry, ik heb een dubbele afspraak gemaakt, er stond eigenlijk al iets eerder.’ Dus dan… of op het allerlaatste moment kom ik met een enorme smoes, vaak over de ziekte van mijn vader dat ik daar ineens heen moet of iets anders, dat ik zelf ziek ben of ik heb denk ik iets van vier keer, vijf keer mijn opa laten overlijden. En dat is natuurlijk heel egoïstisch want daarmee bespaar ik mezelf het mogelijke oordeel van een ander. En ik denk dus ook dat mensen die mij uit die periode kennen, helemaal niet denken van: jeetje wat was dat een altruïstische superfijne jongen die alleen maar met anderen bezig was. Maar dat ze terugdenken aan: ja dat was die jongen die eigenlijk best wel vaak afzei met een enorme smoes. En die eigenlijk als het erop aankwam altijd iets koos dat voor hemzelf het beste was.
De Job van die periode is echt een substantieel ander iemand dan de Job van nu. Het doet me dus ook best wel verdriet om daaraan terug te denken, omdat ik die versie van mezelf dus eigenlijk helemaal niet zo leuk vindt. En ook omdat ik bijna fysiek voel hoever ik van mezelf afsta. En er is dus in een Job die in die leugenwereld leeft en die denkt dat, zolang hij maar in die leugenwereld blijft leven, iedereen hem aardig vindt. En dat hij mee kan doen in dat sociale circus en dat hij vriendschappen heeft die betekenisvol zijn en dat zijn ouders trots op hem zijn. En heel diep van binnen weet ik dat dat niet waar is. En er zit een soort angst in van… oh ja, maar dus als mensen erachter komen dat het niet waar is… dan laten ze me allemaal vallen. En daarom ga ik ermee door. Omdat ik dus ergens het gevoel heb van: ik heb liever relaties met mensen, met mijn vrienden, met mijn familie, op basis van een leugen, dan dat ik ze allemaal kwijtraak door de waarheid te spreken. En op een gegeven moment moet je dan dus wel afscheid nemen van die echte Job die daaronder zit. Dat gaat heel ongemerkt en heel onbewust. Maar die is er dus op een gegeven moment bijna niet meer. Omdat die mij in die situatie niet diende. Die oude Job, die hele lieve kleine Job die heel gevoelig was en heel creatief en van piano spelen hield en van toneel en van boeken lezen in de pauze op de basisschool in plaats van met andere jongetjes mee te voetballen. En die Job die ik eigenlijk ben, die kon voor mijn gevoel daar niet bestaan. En die moest dus heel diep weggestopt worden.
Dat is in de kern eigenlijk ongeveer het allereenzaamste hoe je kan zijn. Omdat je, hoewel je dus omringd wordt door anderen, hebben die anderen allemaal een vriendschap of een relatie met een jongen die eigenlijk niet bestaat. Als ik in die periode alleen ben, dan ben ik dus samen met een jongen die ik eigenlijk helemaal niet wil zijn. Die jongen die liegt, die jongen die zich continu aanpast. Dus als je niet eens meer het fijn hebt met jezelf, dan… veel eenzamer dan dat wordt het niet.
Ik stop bij Buitenlandse Zaken eind december 2009. En dus in januari 2010 ben ik voor mijn gevoel een soort van vogelvrij. En voor het eerst in mijn leven hoor ik nergens meer bij. Dus ik heb geen baan en ik heb geen studie. En elke dag denk ik, ‘ja, vandaag ga ik het vertellen. Het heeft lang genoeg geduurd. Het is mooi geweest’. En als ik dat dan zo doordenk, kom ik er elke dag ook weer achter: ja, maar dat kan ik niet, want dan raak ik iedereen kwijt. En dan, ja, in mijn hoofd voelt dat gewoon als een… echt een onmogelijkheid. Dus dan kom je uit bij… oké maar wat is er dan nog wel? En dan is het: óf met de noorderzon vertrekken en emigreren. Wat ik ook nog wel als een reële optie heb beschouwd. Of, de meest drastische optie, om gewoon maar uit het leven te stappen. Want dan hoef je mensen ook niet onder ogen te komen en op te zadelen met deze situatie En elke dag zweef ik tussen die uitersten van: ‘oké, volgens mij ben ik er klaar voor, ik ga het vertellen’ of ‘ja, ik denk dat het maar beter is als ik er gewoon niet meer ben.’ En gelukkig heb ik ergens in die weken… komt het besef dat ik, nou ja, als ik het zou vertellen, dat ik de mensen om me heen wel enorm veel verdriet zou doen, maar dat dat verdriet altijd nog minder zou zijn dan wat ik ze zou aandoen door uit het leven te stappen. Ik aanvaarde op dat moment het risico dat ik ze zou verliezen. En dat is een beetje het begin van de weg naar buiten.
Daarbij werd ik geholpen door een soort externe omstandigheid. Mijn moeder, dus mijn vader, woonde op dat moment in een verzorgingstehuis. En die hadden zijn eigen bijdrage verhoogd. En zij wilde daar bezwaar tegen maken met als reden, ik heb twee studerende kinderen en dat kost zoveel geld. Dus zij vraagt aan mij, Job, kan je even jouw inschrijfbewijs opsturen want dan voeg ik dat bij dat bezwaarschrift. En dat was natuurlijk doodeng, want dat inschrijfbewijs heb ik helemaal niet, want ik sta niet meer ingeschreven. Dus ik heb dat nog met een paar extra leugentjes weten uit te stellen, zoals ik dat zo goed kon die tijd. Dus ik zeg, ‘nou, ik heb het gewoon opgestuurd. Misschien dat de postbode mijn handschrift niet kan lezen. Je weet hoe dat gaat.’ En op een gegeven moment is het zo dat… ik ga in het weekend bij hen langs en mijn moeder vraagt, kan je dan even, als je bij ons komt, kan je dan het bewijs meenemen? Dus ik zit in de trein en ik sms, ik heb er zin in en het zit in mijn rugzak. En die hele dag wordt er niet naar gevraagd. En ik hoop met gekruiste vingers dat ik eigenlijk die dag kan overleven zonder dat ernaar wordt gevraagd. En dat ik gewoon weer in de trein terug kan zitten en dat ik dan een appje krijg met ‘he vervelend, nou, stuur het alsnog even op.’ En dat gaat de hele dag zo goed totdat… aan het eind, we hebben gegeten en mijn moeder vraagt, oh, voor ik het vergeet, kan je nog even dat inschrijvenwijs uit je rugzak halen? En mijn rugzak die staat in het halletje bij de voordeur, dus ik zeg, ja, natuurlijk, en ik loop daarheen. En ook al heb ik bedacht dat ik het ga vertellen, nog steeds… stel ik het tot het allerlaatste moment uit. Dus ik rits mijn rugzak open. Ik doe nog alsof ik erin wroet om het tevoorschijn te krijgen. En pas als ik echt met mijn rug tegen de muur sta, draai ik me om en zeg ik, ‘ik kan het je niet geven. Want ik sta een tijdje niet meer ingeschreven aan de universiteit’.
Nou, mijn moeder kijkt me vol grote ogen aan en die denkt dat ze het verkeerd heeft verstaan en die denkt dat ik een grap heb gemaakt. Maar eigenlijk vanaf het moment dat ik die zin zeg, denk ik, ik heb het gewoon gezegd! Die zin die ik al jaren eigenlijk wil zeggen, maar niet durf te zeggen, heb ik gezegd, uitgesproken, en de wereld bestaat nog, is niet voor mijn ogen vergaan. En mijn moeder zit hier nog en ze kijkt inderdaad wel heel niet begrijpend. Maar waarschijnlijk komen we hier ook wel weer uit. En dat was een hele gekke situatie omdat… voor mij was het dus het begin van de oplossing. Terwijl voor mijn moeder is dat moment het overgangsmoment tussen die zoon die zo succesvol was en die bijna afstudeert naar ineens een enorm probleemgeval waar we wat mee moeten. Daar heeft ze ook nog even een half uur over gedaan om dat daadwerkelijk te erkennen. En in het begin was het van ‘je maakt een grap, die jongen die altijd zo slim was en die het gymnasium met waanzinnige cijfers met twee vingers in zijn neus doorheen kwam, die is mij nu aan het vertellen dat hij al zes jaar bijna geen punten heeft gehaald? Dat kan gewoon niet.
In mijn hoofd was er een stem die zei, nu moet je door. Er is maar één weg en dat is de weg vooruit. Dus je gaat nu meteen alles vertellen. Je gaat ze die hele zes jaar meenemen. Je gaat geen enkele leugen ontkennen, ook al is het nog steeds makkelijk om te zeggen: ‘oh, maar nee, financieel ging het wel goed en ik heb nooit een dubbele afspraak gehad’. Nee, nu moet die gifbeker gewoon leeg. Anders is ook dit moment voor niks geweest.
En die avond is… ja, tegelijkertijd de allerzwaarste avond uit mijn leven en…. ja, allermooiste wil ik niet zeggen, maar wel het begin van de oplossing. En waar ik al die tijd zo bang voor ben geweest namelijk dat ze me niet meer wil kennen en dat ze zo boos op me is dat ze me het huis uitstuurt, dat gebeurt niet. Maar in plaats daarvan is het, ‘oh jeetje wat moet dit eenzaam voor je zijn geweest. En wat verdrietig dat je niet het idee had dat je hiermee bij ons terecht kon.’ Voor haar ogen brokkelde dat beeld dat ze van me had af, maar dat beeld dat klopte niet en voor het eerst in jaren was er, ja… niet een heel rooskleurig beeld maar wel in elk geval een waarheidsgetrouw beeld en dat was wel weer het begin van de weg naar boven.
Het ironische is dat als ik dit op dat moment aan mijn vrienden vertel, krijg ik eigenlijk altijd dezelfde reactie als die ik kreeg van mijn moeder. Namelijk, wat verdrietig voor jou, wat eenzaam moet je zijn geweest. En niet: jeetje wat heb je mij ontzettend voorgelogen Wat denk je wel niet, het is klaar. En de vriendschappen die ik heb, die worden eigenlijk alleen maar beter en hechter en echter en dieper.
Nou, nog steeds, als ik moe ben of gestrest of onder druk sta, of als je op je werk de vraag krijgt oh, heb je die e-mail al verstuurd of heb je die cliënt al gesproken, dat je dan denkt: oeh, dat heb ik nog niet gedaan. Ik kan nu gewoon zeggen dat ik het gedaan heb en dan doe ik het snel alsnog’. Dus dat stemmetje bestaat nog steeds, maar ik weet inmiddels ook wel dat dat de road to ruin is. Maar die stem, ja, die zit er nog wel.
Als ik terugdenk aan die Job in de studententijd… Heel lang was dat iemand waar ik echt niet aan kon terugdenken. Ik wilde daar zo snel mogelijk bij weg. En inmiddels is het zo, dat ik hem heb vergeven. Dat ik weet dat wat hij heeft gedaan, ook maar voort is gekomen uit hoe hij is opgegroeid, wat hij in zijn leven heeft meegemaakt… Ik zeg niet dat hij er niets aan kon doen, maar ik zeg wel dat ik hem begrijp. Dus die Job van toen, van die studenten dat studenten bestaan, inmiddels ook in mezelf heb opgenomen. En die mocht er dus heel lang niet zijn, omdat ik… voor mijn gevoel: ik was toch verder gekomen en ik had afgerekend met dat en daar, hij hoorde dus niet meer bij mij. Maar op een gegeven moment kom ik erachter dat die manier van denken eigenlijk precies het denken is wat me in de problemen heeft gebracht en dat ik dus ook naar hem – of naar mijzelf dus eigenlijk – met meer mildheid en acceptatie moet kijken. Dus inmiddels hoort die oude Job er ook gewoon bij.
Eén reactie
ns29pi