Maaike heeft ingrijpende jaren achter de rug. Wanneer ze moeder wordt, lijkt er eindelijk weer ruimte voor geluk. Maar als haar zoon wordt geboren, voelt ze iets heel anders dan ze had verwacht.
In deze aflevering komen (kort) suïcidale gedachten aan bod. Heb je zelf gedachten aan zelfdoding of maak je je zorgen om iemand? Neem contact op met 113 Zelfmoordpreventie via 113.nl of bel gratis 0800-0113.
Daarna: telefoontje met de vrouw van Maaike
Na de opname, belde ik met de vrouw van Maaike. Hoe beleefde zij het als partner?
Je kunt dit gesprek luisteren via Verhaal Onbekend Extra
Wat is Verhaal Onbekend Extra?
Verhaal Onbekend Extra geeft je toegang tot al onze bonusafleveringen, speciale Ask Me Anything-sessies en meer.
En je helpt ons er ook mee om Verhaal Onbekend met veel liefde te kunnen blijven maken 🧡
Credits
Regie: Valentine van der Lande
Montage: Loes de Groen
Eindredactie: Annegriet Wietsma
Fine edit, sounddesign en muziek: Rik Rensen en Jos Jansen (Big Orange)
Jouw rating op luisterplatforms helpt ons om meer luisteraars te bereiken. En meer luisteraars zorgt ervoor dat we meer afleveringen kunnen maken!
Mijn naam zou Maaike kunnen zijn, maar het maakt eigenlijk niet uit, want dit kan elke vrouw overkomen. Heel lang voelde het niet als mijn verhaal. Meer als een hele slechte film die niet mijn leven was. Maar het is wel gebeurd. Dit is mijn verhaal.
Het is 2011. Ik ben dertig jaar en ik ben op vakantie in Zuid-Frankrijk met mijn vriendin. Mijn ouders zijn op dat moment op fietsvakantie. Ik word gebeld door mijn vader. Mijn vader zegt dat mijn moeder een ongelukje heeft gehad en in het ziekenhuis ligt in Italië. Maar ik krijg er niet helemaal de vinger achter wat er gebeurd is. Op die avond word ik gebeld door mijn zus en zij zegt: ik denk dat er meer aan de hand is.
De volgende dag besluit ik om mijn vader te bellen. Ik zeg tegen papa wat is er gebeurd? En hij legt eigenlijk het hele verhaal uit. Zij zijn in een afdaling een tunnel in gereden. Zij reden in de volle zon en in die tunnel brandde geen licht waardoor mijn moeder verblind is geraakt en – gelukkig met helm – met tachtig kilometer per uur tegen een tunnelwand aangereden, waardoor ze met de traumahelikopter afgevoerd is naar het ziekenhuis. Uiteindelijk is mijn moeder na anderhalve week ontslagen uit het ziekenhuis en heeft hij haar op de achterbank van de auto mee naar Nederland gereden.
Wij kwamen ook in die tijd terug van vakantie en toen ben ik me echt kapot geschrokken. We kwamen binnen en ze had geen idee wie ik was. Geen idee. Mijn moeder was een… nou, ik kan het niet anders omschrijven dan een soort verloren vogeltje. Mijn moeder was gewoon weg.
Zij belandt in een revalidatietraject. Het is een gekke periode waarin ze hele kleine stapjes vooruit maakt en langzaam weer dingen weet. En er komen dingen terug, maar eigenlijk de hele periode van haar ongeluk en ik denk een maand of drie daarvoor, die blijft ze kwijt. Uiteindelijk is mijn moeder zeker een jaar in een revalidatietraject geweest en komen er steeds weer wat grotere stappen en wat meer dingen terug waardoor ze eigenlijk weer… nou, ik wil niet zeggen functioneert op haar oude niveau, maar ze is in ieder geval goed genoeg om samen met mijn vader weer op fietsvakantie te gaan.
Ze vliegen met de fietsen naar Porto en het idee is om te eindigen in Faro. Dus ze fietsen eigenlijk langs de hele kust van Portugal. Mijn broer heeft ze nog uitgezwaaid. Ze gaan met de trein naar Schiphol. Ik zeg nou fijne vakantie, pas vooral goed op elkaar. En we maken nog grapjes van… nou kom allebei heel terug. Ga geen gekke dingen doen. Trek haar niet over een grens. Doe vooral rustig aan en let vooral goed op mama.
Op de laatste dag zijn ze in Faro. Ze hebben een prachtige reis gehad. Ze rijden eigenlijk vanaf het strand terug naar het hotel waar ze verblijven en ze rijden op een kruispunt af. Ik denk 150 meter van het hotel. En daar rijdt mijn vader een kruispunt op en daar wordt hij aangereden door een auto. En ik word gebeld door mijn moeder. Ze zegt: Ik heb heel erg nieuws. Papa is overleden.
Ik zei ‘Mam, nee, dit heb je volgens mij niet goed’. Zij blijft herhalen Papa is dood. Ik zei ‘Mam, nee, dit heb je niet goed. Geef papa even aan de lijn.’ Zij blijft zeggen ‘nee, papa is dood’. Ik blijf met mijn moeder in een loop draaien omdat het in mijn hoofd compleet niet strookte met hoe het kon zijn dat mijn vader nu ineens dood was, terwijl het jaar daarvoor mijn moeder bijna dood was.
Uiteindelijk dringt dan toch aan de telefoon het besef door dat wat ze zegt echt is. Ik moest mijn broer bellen, mijn zus bellen, andere familieleden belle. En we komen samen en bedenken ook eigenlijk meteen: er moet iemand naar mama toe, want die zit nu in haar eentje in Portugal. Uiteindelijk besluiten we dat ik dat ga doen.
Dus ik vlieg naar Portugal. We vallen elkaar huilend in de armen en ze is compleet ontredderd, waardoor ik me heel verantwoordelijk voel om de beslissingen die daar gemaakt moeten worden, om haar daar in ieder geval doorheen te krijgen. Dus we gaan naar het hotel waar zij verblijven en daar moet het een en ander aan papierwerk geregeld worden. En ik slaap dus een nacht in het hotel waar mijn ouders verbleven op de plek van mijn vader.
Het zijn hele vreemde dagen. We huilen, maar er zijn ook momenten dat we op het terras bij het zwembad zitten en een wijntje drinken en nootjes eten. En dat we denken: wat is dit voor een slechte film? We zijn vooral helemaal uit het veld geslagen eigenlijk. We zijn echt met z’n tweeën in Portugal met een dode vader.
Daar staan wij dus op Faro Airport tussen de vakantiegangers met een geknakte fiets van mijn vader tussen alle andere mensen in te checken en staan wij een half uur in de rij te wachten voor het inchecken. En wij kunnen alleen maar heel hard huilen.
En heel veel mensen vragen zich af wat er met ons aan de hand is. Maar heel weinig mensen vragen daadwerkelijk wat er met ons aan de hand is. En op een gegeven moment is er wel een man die vraagt wat er met ons aan de hand is. Ik leg dat rustig uit en hij trekt ons meteen uit de rij. Met de fiets van mijn moeder en de fiets van mijn vader en alle spullen van mijn vader.
En hij zegt Deze mensen moeten vóór. Deze mensen moeten nu inchecken. Dat ontroert me omdat het gewoon heel lief was.
Het gevoel dat wij allebei hebben als we opstijgen uit Portugal is eigenlijk: we willen hier blijven, want mijn vader die ligt nog hier opgebaard in het ziekenhuis. Die komt pas later weer naar Nederland. Maar uiteindelijk in Nederland zijn we ook wel weer blij om in Nederland te zijn, omdat we dan bij de rest van de familie zijn.
Ja, die periode daarna kom je in een periode van heel veel rouw en dat doet iedereen op zijn eigen manier. In het gezin ging ik vooral heel veel in de regelmodus, qua post, qua dingen opzeggen. Ik stond gewoon niet stil bij: wat wil ik in deze situatie of waar heb ik behoefte aan. Ik werd een soort van geleefd in een verdoofde wereld. Ik snap gewoon eigenlijk niet hoe ik gefunctioneerd heb in die tijd In 2012 overleed mijn vader.
Ik ben samen met een vrouw en wij staan al drie, vier jaar op een wachtlijst voor een donor omdat we graag aan kinderen willen beginnen op dat moment. In 2013 valt er een brief op de deurmat dat er een donor voor ons beschikbaar is. Wij hebben vooraf besproken dat ik zwanger zou worden, maar ik voel aan alles, aan elk vezel in mijn lichaam: ik wil dit niet op dit moment. Ik zit midden in een rouwproces. Ik ga niet nu aan dit traject beginnen.
Dus wij nemen contact op met het ziekenhuis en zij geven aan hey, we kunnen dat voor jullie bewaren. Onbeperkt, het staat gewoon voor ons op dat moment gereserveerd. Wat mij heel veel lucht geeft waardoor we eigenlijk een soort van verder gaan met ons leven. Maar ik voel wel enige urgentie. Ik ben op dat moment 33 en we besluiten eigenlijk 1,5 jaar daarna om er toch voor te gaan. Dat is eind 2014.
Eigenlijk bij de eerste keer insemineren ben ik zwanger.
Daar zijn we heel blij mee. Na 11,5 week verlies ik het kindje. Toen ik het hoorde dat het hartje niet klopte, waren we op vakantie in New York en ik krijg daar ook een miskraam. Ik beleef dit heel plat, heel vlak. Ik heb daar vrij weinig emotie bij. Ik heb echt weeën en naweeën en echt extreme buikpijn. Ik heb de Amerikaanse apotheek leeg getrokken en met pijnstillers en al geniet ik zo goed en zo kwaad als dat kan nog van mijn vakantie in New York.
Uiteindelijk komen we terug van die vakantie. We zijn weer in Nederland. We gaan door met ovulatie testen, want ik besluit eigenlijk gewoon weer om door te gaan. Na twee keer, drie keer is het weer raak. Ik ben weer zwanger en iedereen is heel blij.
Ik heb een zwangerschap waar ik helemaal niet over mag klagen. Het gaat heel voorspoedig. Ik voel me goed. Ik sport nog volgens mij tot dertig weken.
De bevalling zelf was de hel. Het duurde 32 uur en uiteindelijk wordt mijn zoon op mijn borst gelegd en…. ik voel daar… niks bij. Het voelt een beetje alsof er een alien op mijn borst gelegd wordt.
Ik merk in die eerste paar weken dat ik niet echt aanwezig ben. Ik doe mijn zoontje in bad. Het is eigenlijk gewoon een heel klein roze frummeltje. Ik was hem uit een soort plichtsbesef. Vooral omdat het zo hoort. Ik schik me naar de situatie en onderga het. Ik ben niet bezig met of ik wel of geen liefde voor hem voel, maar ik voel niet wat een moeder hoort te voelen, al besef ik dat nog niet.
Mijn vrouw signaleerde dat ik heel erg negatief was, heel erg controlerend. Als zij bijvoorbeeld rustig met hem zat, was ik helemaal: ja, je moet zorgen dat dat hij zijn flesje helemaal leegdrinkt. Naar mijn idee had ik de waarheid in pacht en wist ik alles wat het beste was voor hem, terwijl …zij deed het duizendmaal beter.
Ik had voornamelijk een hele grote controledrang die ik niet in de hand had. Gewoon heel, heel pessimistisch, heel negatief. En op een gegeven moment ook naar onze zoon toe, terwijl hij gewoon een baby was van vijf weken.
Toen zei ze: je moet denk ik even naar de huisarts bellen. Dat heb ik ook meteen de volgende dag gedaan en de huisarts zei nou, je kan vanmiddag langskomen. Ik heb eigenlijk verteld hoe ik me voelde of in ieder geval, wat ik denk ik niet voelde. En toen sprak zij voor mij de legendarische woorden uit: als je hem in een mandje zou kunnen doen en hij zou weg kunnen, zou je dat dan willen?
Toen zei ik ja, meteen dit wil ik, dat wil ik heel graag. Maar met het moment dat ze dat uitsprak, barstte ik ook in complete tranen uit. Want ik wist natuurlijk dat dat niet oké was, maar ik voelde dat tot in mijn tenen dat ik dat heel graag wilde. Thuis komt er hulp. Het sociaal wijkteam komt. We krijgen allerlei dingen aangereikt zodat we eigenlijk ook weer rust krijgen.
Mijn vrouw vertrouwen om de verzorging van onze zoon te doen en dat ik dan rust. Maar ik kan helemaal niet rusten. Ik lig als een soort aangeschoten hert wakker in bed. In mijn hoofd draait de hele tijd een loop die begint met: mijn zoon moet weg. Maar bedenk ook meteen: hij kan niet weg. Wat is een oplossing voor deze situatie? Oké, dan moet ik maar weg.
Op dat moment krijg ik gedachtes als” misschien moet ik uit het leven stappen? En ik bedenk… hoe ga ik dit dan doen? Neem ik heel veel pillen? Ik denk na over voor een trein te springen en ik heb gedachtes om van een flatgebouw te springen. Maar ergens blijft in mijn achterhoofd de gedachte wel: ik weet dat ik niet dood wil.
Mijn hoofd is op dat moment al veel te ver heen voor die praktische hulp en dat wordt vrij laat gezien. En dat is ook denk ik te wijten aan dat ik heel goed ben in heel lang mezelf goed voordoen terwijl het slechter met me gaat en dat niet durven toegeven, willen toegeven, maar soms ook gewoon niet in contact staan met dat gevoel en daar gehoor aan geven.
Ik ben me op dat moment niet bewust dat andere mensen doorhebben dat het niet goed met me gaat, want mijn binnenwereld, daar maak ik anderen niet zo snel deelgenoot van. Ik hou dat veel voor mezelf en zit veel in mijn hoofd. En ik heb ook nooit aan mensen verteld dat ik loop met deze gedachtes. Ook mijn vrouw maak ik geen deelgenoot van wat er in mijn hoofd omgaat.
Maar op een gegeven moment is de situatie zo heftig dat ik drie of vier nachten en dagen niet geslapen heb. Ik ratel maar door. Ik, ik. Ik ben een soort… mijn vrouw zei: een opgedraaid Duracell konijntje. Mijn zoon merkt het ook. Die huilt heel veel in mijn bijzijn. Die merkt dat ik volledig onder spanning sta.
Op een gegeven moment is de crisisdienst bij ons en zit er ineens een psychiater tegenover mij die zegt: ik denk dat we heel lang jou te optimistisch hebben beoordeeld. Ik denk dat het in jouw hoofd al veel verder is dan dat wij hebben kunnen bedenken. Op het moment dat de psychiater uitspreekt: ‘wij willen voorstellen om jou op te laten nemen’, besef ik wel dat dat misschien een idee is, maar zo erg is het toch niet?
En ik word me ineens bewust van dat er mensen in mijn woonkamer zitten die me aan zitten te kijken. En ze knikken nog net niet, maar wel een soort van blik in hun ogen van ja, wij denken allemaal dat dit het beste voor jou is. Is het dan toch zichtbaar? Ik had het toch juist goed gehouden voor de buitenwereld? Het voelt alsof ik door de mand val of zo.
Ik bedenk dan ook: dan ga ik mee naar die afdeling.
Thuis hebben we ook besloten dat we onze zoon een aantal dagen op laten nemen in het ziekenhuis. Mijn vrouw is helemaal, door mij eigenlijk, kapot. Die kan niet meer. En hij wordt eigenlijk opgenomen om de thuissituatie te ontlasten. En ik ben in datzelfde ziekenhuis op een andere afdeling ook opgenomen.
Ik denk vooral, dat denk ik echt: Ik ben hier na twee dagen weer weg. Wat heb ik hier te zoeken? Dit is even een snelle check. Op dat moment ben ik zo opgedraaid. Het enige wat ik wil is een kamer voor mezelf. Ik kan niet met iemand anders op een kamer slapen.
Ik heb een kamer toegewezen, gelukkig een kamer voor mij alleen. Ik zit op het puntje van mijn bed te wachten op een psychiater, die mij welkom heet en die mij rustig uitlegt wat hij gaat doen, welke medicatie hij mij voor wil schrijven. Ik zeg hem: ik snap dat het je werk is om mensen medicatie te geven, maar in principe slik ik geen medicijnen, behalve bij hoge uitzonderingen. In het geval van bijvoorbeeld een miskraam waarin ik heel erg pijn heb. Maar doorgaans probeer ik daar ver van weg te blijven.
Die psychiater die legt heel rustig en vriendelijk nog een keer uit dat dit nodig is om een patroon waarin ik zit te doorbreken. Ik zeg oké, nou ga mij maar even uitleggen dan welke medicatie je mij wil geven, waarom dat nodig is en wat het doet en wat eventuele bijwerkingen zijn. Ik denk dat toen het woord postnatale depressie voor het eerst gevallen is en dat ik toen een beetje inzicht begon te krijgen in: oké, dit is wat er met mij misschien aan de hand is? Bij de meeste moeders valt het kwartje de goede kant op en ben je dolblij met je baby. En bij mij viel het kwartje de verkeerde kant op en ging het hormonaal echt de verkeerde kant op, waardoor ik heel donkere gedachtes kreeg.
En ‘s avonds rond een uur of negen, half tien – k zit tot die tijd op mijn kamer – word ik door de begeleiding daar naar een loket geroepen. Daar moet ik mijn medicatie ophalen. Daar sta ik in de rij met allemaal andere mensen die op die afdeling verblijven. Ik snap van sommigen dat ze hier horen, maar ik, ik hoor hier niet. Ik ben geen onderdeel van jullie. En ik denk jee, waar ben ik beland?
Ik neem die medicatie en ik voel mijn hoofd heel zwaar worden. Ik voel mezelf helemaal verdwijnen in dat bed en ik val in slaap. En dat had ik al vier dagen en nachten niet gedaan.
De volgende ochtend word ik wakker, ga ik douchen en ik bezoek die dag voor het eerst mijn zoon die in het ziekenhuis ligt. Maar eigenlijk voel ik extreem veel weerstand. Ik verschoon hem. Ik geef hem de fles. Ik leg hem terug in bed. Ik voer het ook echt uit als een riedeltje. Er is nul gevoel, geen knuffeltijd. Die neem ik ook niet. En voor die dag kan daar een vink achter: ‘dit heb ik gedaan. Ik heb gedaan wat ik moet doen. Op naar de volgende dag.’
Op dat moment was ik nog wel denk ik heel diep. Daarna werd dat langzaam steeds iets lichter en dat kwam ook omdat ik op dat moment antidepressiva kreeg. En toen begon ik wel een beetje inzicht te krijgen in mijn ziektebeeld. Maar dat ging met soms één sprong vooruit en drie sprongen terug.
Ik werd een keer ‘s nachts wakker. Ik hoorde heel indringend ‘Help me, help me dan toch. Help me!’ En dat bleef de hele tijd herhalen. Ik ga rechtop in bed zitten. Hoor dit. Ik blijf dit horen. Ik stap uit bed. Ik ga naar de badkamer. Ik hoor dit. Ik blijf dit horen. Ik ga naar de andere hoek van mijn kamer. Ik hoor dit. Ik blijf dit horen en het blijft zich herhalen. ‘Help me, Help me dan toch, help!’
En ik denk is dit een boodschap? Is dit wat is dit? En ik denk oké, ik heb dus nu stemmen in mijn hoofd. En eigenlijk raak ik heel erg in paniek. Trek aan het koord bij mijn bed. Dan komt de nacht begeleiding en ik zeg: ‘ik denk dat ik stemmen in mijn hoofd hoor. Ik denk dat ik echt gek aan het worden ben.’
En toen zei de nachtbegeleiding: ‘je hebt een nieuwe buurvrouw gekregen. Zij roept dit’. En ik moet zo hard lachen. Ik ben zo blij dat dit mijn nieuwe buurvrouw is en dat ik nog enigszins mijn hoofd kan vertrouwen.
Onze zoon. Uiteindelijk gaat hij weer naar huis en ben ik heel blij dat hij bij mijn vrouw is.
We hebben een heel mooi netwerk die ons heel erg helpt. Ik ga eigenlijk vanaf de PAAZ-afdeling elke dag naar huis.
De eerste keer dat ik naar huis fiets voel ik ook weer enorm veel weerstand. Ik wil bijna rechtsomkeert maken, maar ik besluit toch door te fietsen. Ik kom thuis en eigenlijk was dat nog zwaarder dan hem in het ziekenhuis te zien omdat de thuissituatie er weer was. Het confronterende was eigenlijk ook dat ik dus op dat moment geen onderdeel meer was van die situatie en ik dus uit die situatie was, wat ik op dat moment heel erg lekker vond, maar ik wel wist dat ik ooit weer terug zou moeten. Maar ik wist op dat moment absoluut nog niet hoe ik dat zou moeten gaan doen.
Ik ben volgens mij een half uur thuis geweest, heb hem een flesje gegeven en ben daarna weer weggegaan omdat mijn spanning zo hoog was dat ik dat niet langer volhield.
Als ik daar nu naar terugkijk, hoe zwaar mijn gevoel was om hem in dat riedeltje af te raffelen, zo voelt het wel dat. Dat maakt mij intens verdrietig. Ik had dat graag anders gezien en gewild. Voor mezelf, maar vooral voor hem. Maar gelukkig is mijn vrouw er op dat moment wel voor hem. Daar ben ik haar heel dankbaar voor. Maar het was ook heel fijn geweest als wij dat vanaf het begin samen hadden gehad.
Mijn vrouw heeft zich in die tijd met onze zoon heel erg eenzaam gevoeld. Maar met het uit huis gaan van mij en het vertrekken naar de PAAZ-afdeling viel er ook echt een enorm blok beton bijna van haar af en verdween er heel veel zwaarte uit huis, waardoor zij eigenlijk voelde dat ze weer lucht kreeg. Wat ik heel schrijnend vond dat ze zich zo eenzaam heeft gevoeld. Dat… dat…. Dat had ik haar graag bespaard.
Het grootste ding wat ik op dat moment niet voelde was liefde voor mijn eigen kind die ik negen maanden gedragen had. Omdat ik vooral in mijn hoofd bezig was dat het weer mis zou gaan en ik vooral heel erg bang was dat het weer mis zou gaan. Maar het ging niet mis en ik durfde niet te vertrouwen op dat het goed zou gaan.
En achteraf besef ik me gewoon dat ik negen maanden niet bezig ben geweest om me tijdens mijn zwangerschap aan hem te hechten, waardoor hij ook als een complete alien voelde toen hij op mijn buik werd gelegd en het de weken daarna ook intens vreemd voelde om in zijn nabijheid te zijn.
In het begin op die PAAZ-afdeling…. Ik ging fotoboeken van mijn zoontje maken van de eerste drie maanden, want ik dacht oh lekker, dan heb ik die ook weer soort van afgevinkt. Is dat gedaan. Toen waren die fotoboeken klaar en toen dacht ik :oké, wat nu? Wat ga ik nu doen? En toen werd ik volgens mij heel langzaam geïntroduceerd in het dagprogramma daar en maakte ik steeds meer kennis met andere bewoners die daar ook zaten. Eigenlijk een beetje in dezelfde situatie als ik.
De weken daarna…. Ik zit daar in totaal bijna anderhalve maand. Ik heb een dagprogramma, ik ontbijt, ik puzzel, ik lunch, ik wandel, ik volg creatieve therapie. Ik volg psychomotorische therapie. Tijdens een van die sessies psychomotorische therapie mag ik een attribuut pakken en daar iets mee gaan doen. Ik besluit een tennisracket te pakken en een bal en daarmee tegen de muur te slaan. Ik denk nog in mijn hoofd ‘wat een domme oefening. Dit voelt niet eens als echt sporten.’
Na afloop komt de therapeut naar me toe en ze zegt: Hoe voelde deze oefening voor je? Ik zeg: Nou, ik vond het een beetje doelloos tegen een muur slaan. Nee, maar ze zegt: Hoe voelde het? Jij geeft antwoord op wat je aan het doen bent. Jij zegt niet wat je voelt. En ik word voor het eerst geconfronteerd met iemand die mij vraagt wat ik voel. En ik? Ik zeg: ik weet niet wat ik voel. En zij zegt mij: jij bent zeven weken geleden bevallen. Is dit verstandig om te doen?
Ik zeg ‘ja, geen idee. Ik ben niet Wimbledon aan het spelen. Ik zeg ik ben heel rustig met een tennisracket een bal tegen een muur aan het slaan. Ik doe naar mijn idee rustig aan.’ En ze zei: Als ik jou nou vertel dat er vrouwen vooraf naar mij toe komen en zeggen: ‘Ik ben zeven weken geleden bevallen. Ik kan niet meedoen aan deze oefening, want het is niet goed voor mijn bekken.’
Ik zeg: ‘nou, werkelijk waar, dit komt gewoon niet in mij op. Dit, dit, dit zit niet in mijn hoofd.’
Dat is voor het eerst dat ik besef: ik zit toch wel goed op deze afdeling. Er is iets niet oké met mij en ik ben voornamelijk bezig in mijn hoofd. Terwijl ik ook een lichaam heb die dingen aangeeft. En langzaam in die weken daalt het besef eigenlijk in dat ik daar beter moet worden. En uiteindelijk voel ik ook dat ik beter wil worden.
De gedachtes over uit het leven stappen, dat verdwijnt heel langzaam naar de achtergrond. Dat gevoel draaide zich heel, heel… echt heel langzaam naar: ‘Ik vind het minder erg om naar huis te gaan. Ik ben ook wel benieuwd hoe het thuis is, hoe het met ze gaat of zo.’
Dat soort gedachtes komen wel eens weer voor in mijn hoofd. Er zijn ook dagen dat ik het absoluut niet zie zitten om überhaupt van mijn kamer te komen. Ik krijg handvatten van de begeleiding dat ik aan positieve dingen moet denken. Ik zeg ‘ja, positieve dingen denken. Hou op, dit werkt echt niet.’ En zegt ze: ‘Ik wil dat je een half uur op je kamer gaat zitten en allemaal punten op gaat schrijven waarom je denkt dat je dit wel kan. En dan gaan we dit samen bespreken.’
Ik ging allemaal punten opschrijven waarom ik dacht dat ik wel naar huis zou kunnen. Dat er een keer een einde kwam aan hoe ik me nu voelde. Ik ging het na een half uur met haar bespreken en ik voelde oprecht: ik wil naar huis.
Vlak voor de kerst kwam ik weer thuis. Er kwam wel weer een stuk zwaarte met mij binnen, want die zwaarte was echt nog niet helemaal weg. Ik denk ook dat het een gok is geweest om mij voor de kerst weer naar huis te doen. Ik denk, als het geen kerst was geweest dat ik daar langer had gezeten, maar eigenlijk ging dat heel goed omdat ik op dat moment durfde te vertrouwen op mijn vrouw. Omdat zij het ook in haar eentje had gedaan en dat gewoon goed is gegaan.
Ik vond het wel schrijnend voor mezelf dat ik daar dus nog geen onderdeel van was. Dat ik weer soort van mijn plek moest terugveroveren, vechten, verdienen. Ik zag een hele ontspannen zoon die het gewoon leuk hadden met z’n tweeën. Ik zeg wel eens de dood van mijn vader was zwaar, maar uit deze depressie komen was voor mijzelf honderd keer zwaarder. Dat was echt een gevecht in mijn hoofd. Echt een gevecht, dagelijks.
Ik had op dat moment geen schuldgevoel. Ik heb toen bedacht van oh ja, dit is me gewoon overkomen, dat kan iedereen overkomen. Dit, dit is zo. Maar hij is inmiddels tien. Dat schuldgevoel is wel gegroeid met de jaren. Dat is wel…. ja, het is gewoon zo’n leuk kind dat ik dat ik het graag anders had gezien, ook voor hem. En ik ben er 100% van overtuigd dat hij dit mee heeft gekregen en ergens in zijn lichaam heeft opgeslagen. Dat heb ik in de afgelopen tien jaar het allerergste gevonden. Maar gelukkig werd dat vrij snel uitgesloten, dat hij gewoon terugvalt op normale hechtingspatronen zoals je die bij veilig gehechte kinderen ook ziet.
Ik denk dat ik, ik weet het niet eens…. Ik denk tot hij negen maanden was niet gewerkt heb omdat ik echt voelde: ik moet bij hem zijn. Ook eerst uit een plichtsbesef, maar daarna wel… die liefde, die begon wel langzaam te komen en ik denk dat toen hij vijf maanden, vijf, zes maanden was dat hij een keer lachte naar mij of zo dat ik dat ik ook dacht wow, dit is gewoon een heel leuk kind en dit is van mij. En dat ik toen voor het eerst voelde van: wat een leuk mannetje.
Ik denk door wat de jaren daarvoor mij overkomen is, dat ik in een soort survival modus stond. Een soort alertheid modus. Ik denk door de dood van mijn vader dat mijn controlebehoefte in de periode daarna extreem groot was omdat juist die dood zo onverwachts kwam en dat zo oncontroleerbaar was dat ik daar niet mee om kon gaan. Dus dat alles wat te controleren was, dat ik me daar aan vasthield en ik gewoon niet kon accepteren dat er dingen zijn die je niet kan controleren.
De postnatale depressie heeft mij eigenlijk ten positieve compleet veranderd. Waar ik eerder alleen maar rationaliseerde en bezig was in mijn hoofd, sta ik nu veel meer in contact met mijn gevoel. Het is nog altijd een leerpunt, maar het besef is veel groter dat er ook nog een lichaam en een gevoel vastzit aan mijn hoofd.
Na onze oudste zoon hadden we toch nog de wens voor een tweede kindje en toen hebben we het ook heel erg gehad over hoe we dat aan gingen pakken. Ik was van tevoren wel bang dat dat weer mis zou gaan omdat de kans op herhaling echt groot is, maar gelukkig is dat uitgebleven.
Die zwangerschap ging gelukkig heel erg goed. Daar zat ik ook veel meer met mijn gevoel bij. Die bevalling is ook goed gegaan en nu zijn ze tien en zeven en blije en gelukkige jongens. En een blije en gelukkige moeder. Ja.