Alida ontmoet een man die anders is dan andere mannen. Hij ziet haar staan. Zonder dat ze er echt erg in heeft verandert zijn liefde traag maar vastberaden in een verstikkende beklemming waaruit ze zich niet meer kan bevrijden. Het duurt jaren voordat ze definitief de knoop doorhakt om haar vrijheid terug te eisen. Maar als zij het huwelijk verbreekt, is het nog niet voorbij.
Luister ook Verhaal Onbekend Extra
Verhaal Onbekend Extra geeft je toegang tot bonusafleveringen, speciale Achter de schermen-afleveringen en meer.
En je helpt ons er ook mee om Verhaal Onbekend met veel liefde te kunnen blijven maken 🧡
Credits
Regie: Annegriet Wietsma
Montage: Stephen Kearney
Eindredactie: Valentine van der Lande
Fine edit, sounddesign en muziek: Rik Rensen (Big Orange)
Jouw rating op luisterplatforms helpt ons om meer luisteraars te bereiken. En meer luisteraars zorgt ervoor dat we meer afleveringen kunnen maken!
Ik zou Alida kunnen heten. In mijn jeugd was ik altijd een buitenbeentje, maar ik wilde zo graag gezien worden. Meedoen. Laten zien dat ik een toffe, loyale meid was. En toen kwam ik iemand tegen die mij mooi vond, die lief was. Iemand die mij zag en… mij niet meer wilde delen met anderen. Dit is mijn verhaal.
Op een gegeven moment zijn we op vakantie in Cuba. Ik was daar met mijn vriend. Dan heb ik het over 2003. En de eerste week kwamen we in een huis. Nou, hartstikke mooi. Mijn vriend die was heel goed in taal, dus hij had met die mensen allemaal zitten praten. Ik kon er helemaal niks van verstaan eigenlijk. De tweede dag of zo dat we daar waren, toen zei hij opeens: ik wil graag het e-mailadres van jouw vader hebben, want die wil ik een mail sturen. Nou, uiteindelijk gegeven natuurlijk. En toen zei hij: oké, dan gaan we even hierheen. En toen gingen we dus een huis binnen. Ja, ik was… ja, stomverbaasd. Ik bedoel, überhaupt dat hij daar een adres wist waar we naar binnen konden. Nou, daar gingen we naar binnen en de trap op en daar zat een man achter een soort bureautje en die probeerde een internetverbinding tot stand te brengen. Dat was een heel gedoe. Nou en op een gegeven moment, die man: ‘ja, ja, ik heb verbinding!’ Ik begreep helemaal niet van… waar gaat dit heen? En toen zag ik dat hij aan het typen was en dat er op het scherm kwam te staan: ik wil graag met Alida trouwen. En ik dacht… hè? En die man: ‘Congratulations! You’re gonna get married! And we gonna have a big party and everybody is invited!!’ En er kwamen mensen de trap opgelopen en buiten op straat hoorde ik dingen, dus…. Mensen gingen mij allemaal feliciteren. Nou, ik kreeg het helemaal benauwd. Ik ben naar buiten gelopen. Daar had je een heel klein balkonnetje. Ik denk ‘oh, frisse lucht’ en mensen op straat allemaal zwaaien naar mij en klappen. En nou, daar kwam mijn toekomstige man, hè. Ik had niet eens kunnen reageren, maar het was al geregeld allemaal! Alles was geregeld. Een huwelijksauto hadden we met blikjes erachter… we hadden een taart… er was een half varken geroosterd, gegrild. Dat kwam op een paar planken werd dat binnengebracht… heel de straat mocht komen. Die hebben er allemaal van zitten smullen. En ik dacht: ik vier hier mijn huwelijk, maar ik ken helemaal niemand! Ik ken hier helemaal geen mens. En toen zei iemand tegen mij ‘You not happy, you not happy?’ En ik zei alleen maar: ik ben niet gevraagd. Ik ben niet eens gevraagd. Ik dacht echt van: dit is gewoon een valstrik.
De eerste keer dat ik hem zag, vond ik hem echt helemaal niks. Ja, ik had een ander vriendje op dat moment, maar dat was eigenlijk meer een maatje. Dat was heel gezellig, maar dat was iemand waar ik niet echt op kon bouwen. Het was echt een jeugdliefde en wij gingen samen uit. En hij kende hem. Ik zie het nog voor me. Hij stond over een biljart gebogen. Heel lang haar, krullend haar, echt tot bijna aan zijn billen. Gouden kettingen om, zo’n Lee Towers bril. En hij stond daar bij het poolbiljart en hij hing zo over het biljart heen en er stonden allemaal mensen om hem heen en die stonden hem aan te moedigen en die stonden te klappen. Bleek dat hij een weddenschap had over dat spel. En hij was er gewoon heel erg goed in. Dus hij was aan het winnen. En ondertussen had hij ook nog weet ik veel wat voor stuff bij zich. Hij verkocht stuff. Hij had een oom die zat in de hasjhandel en hij had altijd zo’n blok hasj en alle vrienden en bekenden gingen dan bij hem een blokje hasj halen. Nou ja, goed. Ik vond hem heel ordinair. Ik vond hem heel…. ja, ik was een beetje snobistisch in die tijd. Ik studeerde k-u-n-s-t, dus ja, ik vond het echt helemaal niks. En toen kwam hij dus later op ons af. En toen keek hij me aan. En toen zei hij tegen mijn toenmalige vriend: wie is die ijskoningin die jij hier meegenomen hebt? Want ik had echt een uitstraling volgens mij van, nou ja, weet je, ik wil helemaal met jou niks te maken hebben. En toen zei hij: ‘nou ja, dat is mijn vriendin’ en zo. ‘Oh, heb ik je daarom al zo’n tijd niet gezien. Nou, kan ik wel begrijpen, ja. Wel een leuke meid’, weet je wel. Ik weet niet…. de manier waarop hij me aan bleef kijken. Dat ik dacht van: potverdorie, hij kijkt dwars door me heen.
En toen heb ik hem later, in de wandelgangen, kwam ik hem tegen. Op feestjes raakten we af en toe eens aan de praat. En hij was heel complimenteus. En ik vond hem ook wel interessant, want hij zat in een wereld die voor mij totaal onbekend was. En toen, op een goede dag, toen… een avond eigenlijk, stond er ineens een taxi voor mijn deur. ‘Ben jij Alida? Ik kom jou ophalen’. Ik zeg nou, ik heb geen taxi besteld, weet je wel. Ik was geloof ik mijn kamer aan het opruimen of zo. ‘Ja, ik moet jou toch ophalen en meenemen.’ Dus ik ben ingestapt en ik dacht echt dat mijn vriendje iets had georganiseerd voor mij. Dus ik zeg tegen die taxichauffeur: waar gaan we naartoe? Hij zegt ‘ja, ik moet je naar het centrum brengen’. En… nou ja, mijn vriendje had geen rooie cent, dus ik dacht: wat gaan we doen? Weet je wel. Toen kwamen we dus aan bij het restaurant en toen zat die jongen die zat op mij te wachten daar. En die doet het portier open: ‘Hoi!’ Hij heeft me helemaal gefêteerd op lekker eten, wijn erbij en stoel aanschuiven. En ik was echt een beetje teut van de wijn en hij werd steeds een beetje toeschietelijker en ik liet het allemaal gebeuren. Ik wist gewoon niet wat me overkwam. En we hadden hele goede gesprekken over mij en over wat ik met mijn leven wilde en het was echt een en al warme aandacht. En toen zei hij op het laatst: zo en wanneer gaan we het nou eens een keer doen? En toen zei ik met mijn aangeschoten hoofd, zei ik: ‘dat weet ik niet, zei ik. Je weet: zeg nooit nooit’. En met de taxi ging ik weer naar huis en ik dacht: wat is me nu overkomen eigenlijk?
Daarna kwam er een periode waarin we bevriend raakten en steeds beter bevriend ook raakten. Hij is nog een tijdje weggeweest, in Curaçao een tijd, heb ik voor zijn katten gezorgd. En dan had hij die katten gebracht en toen ineens had hij bloemen bij zich. Toen dacht ik: o leuk, bloemen! En toen liep hij terug naar de auto en toen had hij nog meer bloemen en terug naar de auto en nog meer bloemen en terug naar de auto en nog meer bloemen. Had hij een bloemenzaak leeggekocht net voor sluitingstijd. En alle bloemen die anders weggegooid werden, die had hij voor een prikkie opgekocht. Dat was echt een regelaar. Ja, weet je, dat soort dingen. Daar was ik gewoon helemaal van ondersteboven. Dat vond ik gewoon fantastisch.
Ik had nog steeds dat andere vriendje. Dat werd wel een beetje lastig, want ik vond die ja, die foute jongen toch wel heel interessant en lief en… Maar goed, op een gegeven moment heeft die foute jongen een ongeluk gehad in het buitenland. Daar was wel alcohol in het spel. Toen heeft hij een half jaar in de gevangenis gezeten daar. En hij kwam terug en ik krijg hem aan de telefoon. Ja, en toen zei ik: ik heb heel veel aan jou gedacht. En toen zei hij: ja, ik ook aan jou. Ja, en toen was het eigenlijk gewoon een kwestie van tijd dat we gewoon… afspraken. En toen was mijn andere relatie voorbij.
Door mijn ouders was ik vrij kort gehouden. Ik had wat dat betreft wel wat in te halen. Ik deed een opleiding. Daarna ben ik in de verpleging gegaan. Ik was daar heel erg gedreven in. Ik was heel verantwoordelijk. Ik had mijn zaken op orde. En hij kwam en hij bracht een frisse wind. Ik zag in hem avontuur. Hij keek heel anders tegen het leven aan. Hij deed waar hij zin in had. En hij had echt een charisma. Had echt uitstraling, waarmee hij je gewoon kon inpakken. Mij in ieder geval.
Ik heb een beeld of een gevoel gekregen wat ik helemaal fantastisch vond. Je voelt je een prinses. Niemand is liever, leuker, knapper, interessanter als jij. Dus alles wat je zegt is leuk. Elk grapje dat je maakt is hilarisch. Wat jij leuk vindt, vindt hij ook leuk. Er wordt een enorme band gecreëerd in het begin. Een gouden toekomst, zal ik maar zeggen. En dat hield op een gegeven moment na een klein jaar… werd dat al moeilijker. En de rest van de tijd ben ik hard blijven werken om dat gevoel van het begin maar terug te krijgen, zeg maar. En hij liet zich dan gewoon soms een week niet zien en dan wist ik niet waar hij was en dan was ik aan het bellen en dan was ik bezorgd. Maar dan was hij gewoon helemaal uit contact. Dan had hij gewoon even wat anders of zo. Misschien ook wel iemand anders. Dat weet ik tot op de dag van vandaag niet. Want dan kwam hij terug en dan had hij weer iets bij zich. Een cadeautje. En dan zei hij: ‘oh sorry lieverd, ja, je weet toch hoe ik ben? Was je ongerust? Ja, maar je hoeft niet ongerust over mij te zijn. Maar soms dan heb ik gewoon even tijd voor mezelf nodig.’ En dan zei ik: ‘oh ja, nee. Ja, ik was wel bezorgd’. Ja, ja, ja, weet je, is alles oké? Terwijl… misschien is hij wel gewoon een week lang aan het fuiven geweest met een andere vrouw of zo. Je weet het niet. Maar je bent blij als hij weer komt. Want dan kun je weer verder. En als jij loyaal bent en als jij laat zien van: wat je ook doet, ik ben er voor jou. Dan komt dat vanzelf goed.
Ik werkte toen als nachtverpleegkundige en dan zei hij gewoon – want hij had geen werk – en dan zei hij van: ‘ja, het is mooi weer, dus kom.’ We deden heel veel skeeleren. ‘Dan gaan we skeeleren, gaan we naar het Vondelpark. Gaan we lekker skeeleren.’ Dan zei ik. ‘Ja, maar weet je, ik moet slapen. Ik moet vannacht werken.’ Toen zei hij: ja, met dat luie gedoe de hele tijd overdag!’ En dan ging hij gewoon mijn kussens uit het raam gooien. En dat ik dan op mijn blote voeten twee trappen naar beneden moest om mijn spullen te pakken.
Ik had met momenten wel in de gaten dat ik mezelf aan het kwijtraken was. En andere momenten had hij me toch weer zo in de tang, zal ik maar zeggen. En met zijn charme, met cadeautjes meenemen, met intimiteit. Dat was een enorme wederzijdse aantrekking, die ook wel scherpe randjes vaak van dingen af kon halen. Hij kon vreselijk goed koken en dan kwam ik thuis en dan stond er een feestmaal van heb ik jou daar. Of mij meenemen naar plekken waar ik nog nooit geweest was of… en dan gewoon daar heel veel van weten ook, want hij wist ook veel over de wereld. Maar dat zijn dan van die kruimels, zeg ik altijd maar, die dan toegeworpen worden. Maar daar hield ik me dan aan vast.
En, ik dacht: ‘weet je, we hebben een nieuw begin nodig’. Ik was echt daar heel grenzeloos in. Want ik zag gewoon van: hij heeft een basis nodig en ik ben zijn basis en hij gelooft me niet. Maar als wij samen een kind hebben, dan zal hij echt wel geloven dat ik écht voor hem wil gaan. Dat ik oprecht ben en dat ik echt met hem mijn leven wil delen. En toen ik zwanger werd, toen liep het nog meer uit de hand, want toen droeg ik zijn kind. En van tevoren was het al lastig om vriendschappen te onderhouden. En toen ik zwanger werd, werd het nog erger. Dan belde hij op als ik aan het werken was en dan zei hij: ‘ja eh tot hoe laat moet je werken?’ Dan zei ik: ‘ja, dat is toch altijd tot drie uur? Dat weet je toch?’ ‘Ja, ik kom jou halen, want ik vind wel dat je lang genoeg gewerkt hebt nu. Je bent zwanger, hè?’ En dan was het één uur of zo. Ik zei: ‘ik moet die man hier nog tandenpoetsen, dan moet ik nog rapporteren. Dan komen de late diensten, die moet ik overdragen en dan kan ik naar buiten. En misschien kan ik een kwartier eerder stoppen. Maar je kan me niet om één uur al ophalen.’ ‘Nou, ik kom toch’, zei hij dan. En dan parkeerde hij de auto op het gras. Of in ieder geval heel dicht bij het raam, zodat ik hem zag. En dan had hij de muziek heel hard aan en dan had hij een jointje en dan zat hij daar in die walm zo op de parkeerplaats en dan had hij – want we hadden twee honden – had hij de honden daar loslopen op de parkeerplaats zodat ik wel naar buiten moest komen om daar iets aan te doen.
Ik heb wel veel nagedacht over waarom ik toen ben gebleven, terwijl ik wel signalen had dat het niet oké was. Maar ik kon niet echt…. Ik zag niet echt een, een uitweg, want het huis waar wij in woonden was mijn huis. Hem eruit krijgen zou, ja, ik zag dat als ondoenlijk. Ergens had ik nog steeds de hoop dat het misschien niet zo was. Ik sloot mijn ogen daar ook voor. Ik had natuurlijk alles ingezet op gelukkig worden met hem. En ik hield van hem. En ik kon me daar gewoon niet van losmaken. Ondanks dat ik wel dacht van: oké, ik moet op mijn tellen passen. Ik word steeds meer gecontroleerd. Ik zie steeds minder vrienden.
Een hele goede vriendin die me echt gesteund heeft door dik en dun., daar was hij heel onbeschoft tegen. Die zei: ‘Ja, ik weet niet. Ik hou van je’, zei ze, ‘maar zolang je met hem bent, vind ik onze vriendschap wel heel ingewikkeld worden.’ Dus dat begon in die tijd. Hij schoffeerde mensen uit de flat waarin we woonden. Hij had driftbuien…. Ik stond erbij en ik keek ernaar. Dat is lastig om te begrijpen. Ook voor mezelf, ook voor de buitenwereld. Het is een soort hersenspoeling waar je in terecht komt. Je hebt een beeld voorgeschoteld gekregen waar je in gelooft, waar je echt in gelooft en waar je… wat je ook wilt. En als hij me zag, dan zag hij me met zoveel intensiteit dat alles…. alles was onbelangrijk. Het was hij en ik tegen de wereld.
Maar ik had gesprekken met psychologen en pedagogen op mijn werk en die begonnen dan te vragen: ‘doet hij dit? Doet hij dit? Doet hij dit?’ En dan zei ik: ‘ja, ja, ja, ja!’. ‘Ik weet niet of je helemaal veilig bent.’ Weet je, dat soort dingen. Maar hij deed nooit iets. Tenminste, tot op dat moment had hij me nog nooit met de vinger aangeraakt. Dat kwam later pas.
De eyeopener was toen ik een tijdje lang als flexwerker werkte in een tbs-kliniek. En daar zag ik dingen gebeuren waarvan ik dacht: dit heb ik thuis op de bank. Dat was heel confronterend. En op een gegeven moment haalde hij mij daar ook een keer op en stond hij weer in vol ornaat met zijn auto, met harde muziek en de honden, stond hij op de parkeerplaats. Maar dat was een beveiligde setting. Als je daar naar binnen kwam, moest je eerst langs beveiligers en dan kreeg je je sleutel en je pieper en daar moest je voor tekenen. Wie komt erin? Wie gaat er weg? Alles werd gecontroleerd. Dus ik was klaar met mijn late dienst en ik lever mijn sleutels en mijn alarm in. En toen zei die beveiliger: ‘komt hij voor jou?’ En toen zag ik hem staan. Nou ja, dan ga je door de grond, hè? ‘Want hij zegt dat hij voor jou komt, maar wij geloven hem eigenlijk niet.’ Dus ik keek zo en toen zei zijn collega zei: ‘ja, wij dachten echt, het is een ex-patiënt of een dealer of zo’. En toen liep die dus, terwijl ik aan het aan het ondertekenen was, met schaamrood op mijn kaken natuurlijk, liep die collega naar buiten, want die had zoiets van: ik ga even iets zeggen ervan dat die muziek zachter moet. Dus die zegt: ‘meneer die muziek af, want er liggen hier mensen te slapen. Want dat is al elf uur geweest.’ Ja, en toen ontstond er een situatie waarin ik aan het instappen was en mijn – inmiddels – man een conflict had met een beveiliger omdat hij vertikte om de muziek zachter te zetten. Die beveiliger steekt zijn arm door het raam en die wil bij de radio. En mijn lieftallige partner draait het raam omhoog. Dus die arm zat klem. En die reed een paar passen weg met die beveiliger aan die auto. Nou, ik zat daarnaast. Ja, nou ja, ik denk dat ik me nog nooit in mijn leven zo erg geschaamd heb als toen. En toen heeft hij gewoon het raam natuurlijk wel laten zakken en toen heeft hij gezegd: ‘ja, je moet gewoon met je spullen van andermans eigendom afblijven, flapdrol.’ En toen reed hij weg en ik ben nooit meer daar naartoe gegaan. Ik heb gezegd… iik wil daar niet meer naartoe. Ik durfde daar gewoon niet meer naartoe.
Ik ben toen vertrokken uit het huis, ook omdat hij mij geslagen had in de auto Hij vond dat ik hem onderweg … ik moest de weg wijzen en ik stuurde hem verkeerd, vond hij. Toen was ik zwanger en toen sloeg hij me gewoon echt naar de andere kant van de auto, zeg maar. En toen dacht ik, oké, als jij een zwangere vrouw gaat slaan, hoe gaat het dan dadelijk zijn als we een happy family moeten zijn? Ik ben dus vertrokken uit het huis en daarna is hij echt helemaal als een razende tekeergegaan. Ook tegen buren en tegen andere mensen. Iedereen van wie hij dacht dat die op mijn hand waren in zijn beleving. Hij heeft toen ook mensen die voor mij opkwamen, die heeft hij belaagd. Heeft hij een buurjongen met een mes gestoken. Dat was wel een fase in mijn leven dat ik dacht: het is helemaal klaar. Dit kan niet. Er gebeuren allemaal dingen die niet kunnen. Heftige dingen. Hij heeft toen een half jaar gekregen voor die steekpartij of zo Dat speelde allemaal toen ik moest bevallen. Dus hij, hij was daar niet bij.
Hij schreef mij elke dag uit de gevangenis: wanneer kom je naar me toe met ons kind? En ik vond ook echt dat hij de baby moest zien. Dus ik ben daar naartoe gegaan met het baby’tje in de Maxi Cosi. En ja, ik denk achteraf… ik was gewoon heel kwetsbaar. Je hebt net een kind gekregen. Je man zit… de vader zit in de gevangenis. Ik stond daar gewoon… Ik was alleenstaande moeder. En ik zie hem daar. En hij is aan het huilen. Hij durft het kindje niet vast te pakken, terwijl hij altijd zo goed was met baby’s. Hij is helemaal, helemaal van zijn stuk gebracht door alles. En… ik smolt gewoon. Ik dacht, ja, wat hebben we er een potje van gemaakt. Waarom kunnen we dit niet? Waarom loopt dit zo? Ik was gewoon totaal omvergeblazen weer, door zijn emoties, door zijn kwetsbaarheid. En ik liep naar buiten en een vriendin van mij stond op mij te wachten. Die had mij gebracht met de auto. En die zag mij aankomen, die zei: ‘knikkende knieën?’ Ze zei: ‘was… heftig?’. Ik zei ‘ja’. Oké, zei ze. Die wist al genoeg. Wij weer terugrijden.
Hij zou vrijkomen. Waar moest hij heen? Hij had natuurlijk geen onderdak. Ik dacht: ‘ja, dan komt hij tóch hier aan mijn deur rammelen om bij mij te zijn. Om bij het kind te zijn. Ik kreeg zijn advocaat aan de lijn. Die zei: ‘het is heel belangrijk voor in die rechtszaak dat we weten of hij straks naar huis mag komen of niet. Wat ga je doen?’ En ik zei: ‘ik weet dat hij psychiatrisch onderzocht is. Ik wil weten wat er in dat rapport staat. Want ik kan niet een goede beslissing nemen als ik dat niet weet.’ En toen zei zijn advocaat: ‘ja, dat wil hij niet.’ Maar ik kan het jou vertellen. Hij wordt niet behandeld. En toen heb ik gezegd: ‘het kan ook zijn dat hij niet behandeld wordt omdat hij niet te behandelen is.’ ‘Dat staat er niet in’, zei die man. ‘Dat staat er niet in.’
Nou, dus hij kwam naar huis. En ik weet nog heel goed, de eerste dag dat hij thuiskwam, toen viel hij op een gegeven moment in slaap, gewoon in de huiskamer. En hij had een hele tas met papieren bij zich. Allemaal van zijn advocaat en zo. En ik dacht: ik ga dat rapport zoeken. En dat heb ik gevonden. Toen ben ik naar boven gegaan en heb ik mezelf opgesloten op de wc en toen heb ik dat rapport zitten lezen. En daar stond gewoon in: het advies was om de heer niet te behandelen omdat mensen met dit soort type persoonlijkheidsstoornis vaak alleen nog maar manipulatiever worden van behandeling. En hij had gewoon een cluster persoonlijkheidsstoornis met narcistische, antisociale en borderline kenmerken, met extreme verlatingsangst, maar ook een zeer plat vrouwbeeld, waarbij vrouwen vooral gezien worden als lustobjecten. En toen dacht ik, oké, nou… nou zit ik hier met hem.
En dat heb ik een half jaar geprobeerd en volgehouden en toen ben ik dus weggegaan. Toen is hij een jaar niet in beeld geweest. En ik dacht dat ik er los van was. Ik had zelfs al een keer een date gehad met iemand en dat was allemaal niks, maar toch, ik was wel bezig met iets anders. Andere dingen, andere mensen, andere omgeving. En hij had een jaar ook een contactverbod vanwege een incident bij mijn ouders thuis, waarin hij mijn ouders had belaagd. Maar toen was er weer op een gegeven moment contact. Hij mocht ook weer contact opnemen. Dat deed hij ook. En hij wist niet waar ik woonde op dat moment, en dezelfde middag wist hij wel waar ik woonde. Want we hadden een hele fijne middag en hij wilde graag mee en samen eten en ik stond er allemaal voor open. Ik dacht ja, we moeten toch samen proberen om hier uit te komen. Hij wist toen mijn adres, dus hij kwam gewoon weer langs en voor ik het wist stond de deur weer wagenwijd open voor hem.
En toen zei hij gewoon van uhm… ja, ik wil graag de sleutel hebben van dit huis. En toen zei ik van ehh tja… nee. En toen zei hij: ‘maar hoezo niet? Mijn dochter woont hier. Hoe zou jij het vinden als zij bij mij zou wonen en je zou er niet altijd naartoe kunnen? Ik wil een sleutel.’ Op een gegeven moment had hij gewoon een sleutel gejat. Dat hij even ongezien in huis was, dat ik boven was of zo, en had hij gewoon de reservesleutel gepikt. Dus hij kwam en hij kwam en hij ging. Als ik dat niet wilde, dan moest ik de deur op het nachtslot doen en op de klippen en zo, want dan kon hij er niet in. Ja, en toen kwam er een fase waarin hij dan gewoon inbrak. Boos was omdat ik hem niet binnenliet. En dan was ik weg en dan had hij mijn sloten dichtgekit. Want dan had hij zoiets van ja, als ik niet in jouw huis mag, dan jij ook niet in jouw huis. Makkelijk zat. Kunnen we er allebei niet in. Ruiten intikken… Nou ja, van alles. Omdat hij echt het idee had: ‘wij zijn getrouwd’, zei hij dan. ‘Zij is mijn vrouw. Wij zijn getrouwd. Zij heeft het kind. Zij heeft de hond. Zij heeft het huis’. En dat is gewoon een huurhuis. Ik betaalde daarvoor. Maar ik had in zijn ogen alles en hij had niks en hij vond gewoon dat hij daar recht op had. En dan stond mijn dochter te huilen: ‘ja, papa, papa’, weet je, die was dan twee. En die zei: ‘papa binnenlaten’, weet je wel. Ja, dan liet ik hem toch maar weer binnen omdat ik dat voor haar ook heel lastig vond. En dan ging hij zitten en dan kwam hij dan ‘voor haar’ en vervolgens was zij al lang naar bed en vond ik het zelf ook tijd om naar bed te gaan. En dan zei hij: ‘oh, ga maar,’ zei hij dan. ‘Ik kom zo’. En dan kreeg ik hem niet weg. En dan belde ik de politie en dan zei de politie van uh ja, wij zijn geen uitsmijter, mevrouw. Ja, logisch hè? Dus dat doen ze één keer en misschien nog een keer. Maar op een gegeven moment ben jij wel die vrouw die steeds de deur openmaakt.
Dertien jaar heb ik de relatie volgehouden. Daarna ben ik noodgedwongen verhuisd, van het dorp waar ik vandaan kom naar de stad. Ik wist dat hij in de stad ook woonde, in Eindhoven ook en ik was altijd achterom aan het kijken. Ik heb hem ook een paar keer in de verte gezien. Ik heb hem een paar keer gezien dat ik wou tanken, dat hij bij het tankstation was, dat ik doorgereden ben. Ik heb hem een keer in de stad zien lopen, maar altijd wel van een afstand en hij heeft mij nooit gezien. En voor mijn dochter ook, want hij heeft toen ze vier was, toen wij nog in het dorp woonden, geprobeerd haar mee te nemen van het schoolplein. Hij heeft haar ook een keer zonder mijn toestemming mee naar huis genomen, dat ik niet wist waar ze was. Dus we waren er allemaal op beducht dat hij gewoon op zou kunnen duiken en haar gewoon mee zou kunnen nemen. Het was…. overal moest ik vragen: haar naam alsjeblieft niet bij de sportvereniging bij het team, niet haar naam op internet zetten, geen foto op internet zetten. Dat hing ook boven haar hoofd, voor haar eigen veiligheid.
De reden waarom ik vatbaar was voor hem, is denk ik terug te voeren op meer redenen dan één. Mijn opvoeding was heel beschermend. Daar had ik niet zoveel notie van toen ik op de basisschool zat. Toen ik ging puberen, merkte ik wel verschil met andere kinderen soms. Er werd ook wel eens aangebeld bij ons: ‘kom je naar buiten?’ ‘Nee, je bent geen straatmeid. Dat gaan we dus niet doen.’ Dit was vooral mijn moeder denk ik, die daar heel erg een gevoel bij had van: ik moet haar gewoon een beetje weghouden van alle verkeerde dingen in de wereld.
Ik was altijd een beetje een buitenbeentje. Ik hoorde er niet echt bij. Dus ik ben ook wel gepest. Ja, ik weet niet wat dat is. Ik kwam niet goed over of zo. Ik had de verkeerde boekentas en ik had verkeerde kleren en mijn haar zat stom en… Ik hoorde er niet bij. Ik denk dat ik in mijn relaties juist altijd op zoek geweest ben naar iemand die mij wel zag en dat de eerste de beste glimlach al bijna genoeg was. Als je zo weinig gewend bent, zo weinig aandacht en genegenheid en zo weinig…. dan is alles wat je krijgt, is gewoon… wordt heel erg uitvergroot. Dat je lief, leuk, aardig, geweldig en slim bent, dat doet dan heel veel voor je eigenwaarde. Dus daar heeft hij wel echt een boost aan gegeven. Die love bombing fase. Dus daar was ik heel vatbaar voor.
Dus dat is in ieder geval waarom ik voor hem viel. En waarom ik bleef? Ja, ik bleef toch omdat ik dacht dat ik echt iets voor hem moest…. ja, kon betekenen. Ik denk dat ik juist in mijn relaties ook… want ik heb meerdere vriendjes gehad en met al die vriendjes was wel iets en ze hadden allemaal mij nodig. Daar ontleende ik denk ik ook wel een stuk eigenwaarde aan. Aan de ene kant het ‘gezien worden’ wat ik heel prettig vond en aan de andere kant, oké, weet je, als jij mij nodig hebt, hè, ja dan….. dan kan ik iets meer betekenen dan iemand anders. Want ik ben er voor jou altijd.
Kijk, een man zoals mijn ex, die misbruikt mensen. Hij maakte niet alleen gebruik van mij, maar ook van vrienden. Die zag mensen vooral als instrument om zelf daar beter van te worden of onderdak te regelen of wat dan ook. Maar jij, jij gaat ook faciliteren of jij laat dat ook gebeuren. En dat is heel moeilijk. Zeker om achteraf op terug te kijken. Omdat je…. er is jou natuurlijk wel onrecht aangedaan, maar later, als je daar meer van hersteld bent, dan is het ook belangrijk om te kijken van goh, maar hoe was die dynamiek nu eigenlijk? Waarom die bij jou uitkomt en niet bij de buurvrouw?
Hij is overleden in 2023. Mijn dochter belde mij op en toen zei ik: hoe voel je je? En toen zei ze ‘opgelucht’, zei ze. En toen zei ik: ‘ja, ik ook.’ En toen heb ik vierentwintig uur met mezelf een beetje in de clinch gelegen, dat ik dacht: ik ben blij, ik ben opgelucht, dit is afgerond en mag ik dit wel voelen? Ja, maar ik dacht: ja, jawel, dat mag ik wel voelen. Toen heb ik zijn advocaat gesproken en die heeft mij verteld hoe hij de laatste jaren heeft geleefd. En hij was dakloos, verslaafd, had een daklozenuitkering, had af en toe wel wat baantjes, maar echt aan lagerwal geraakt. Hij leefde in garageboxen en dan huurde hij een garagebox en dan trok hij daarin totdat dat ontdekt werd en dan stond hij weer op straat en dan zocht hij weer een nieuwe garagebox.
En uiteindelijk heeft hij een hartaanval gehad. Zijn moeder had geregeld dat hij opgebaard lag bij de Dela. Ik ben daar geweest. Ik heb zijn moeder teruggezien en dat was in de familiekamer, waar dus alleen maar wij waren en zijn halfzus met haar man. En toen werd de kist dichtgedraaid. Dus toen dacht ik… Dichtgeschroefd, iedereen kreeg een schroef. En ik dacht: dit is niet mijn moment, ik hoor hier niet bij. En toen zei zijn moeder: jawel, jij wel, want jij was zijn grote liefde en jij hoort hierbij. Dus ik heb de kist dichtgedraaid en dat was voor mij echt dat ik dacht: ‘oké weet je, jij ligt hier en ik sta hier jouw deksel erop te draaien.’ Dat had echt wel impact. Zo van ‘oké, dit is… dit is echt klaar. Het is nu echt klaar.’ Ik hoef niet meer te denken ‘oh, misschien kom ik hem tegen’. Nee. Kan niet meer.